Plus PS

Mike Boddé over zijn gehoorproblemen: 'Als ik de hoge fis aansla, word ik gek'

Pianist en oud-cabaretier Mike Boddé (49) heeft toenemende gehoorproblemen. In zijn 'audiografie' Tril beschrijft hij zijn leven in geluiden.

Beeld Jitske Schols

Moet ik luid en duidelijk spreken?
"Nee, joh. Zo erg is het ook weer niet. Ik zit niet op het randje van stokdoof of zo, maar er is wel een probleem. Op vakantie zei mijn dochter: 'Mooi hè, die krekels?' Krekels, welke krekels? dacht ik. Ik draaide nog zo'n beetje met mijn hoofd, maar ik hoorde helemaal niks."

"Maar mijn ­gehoorproblemen uiten zich vooral als ik muziek maak. Met een bigband kan ik niet spelen, met een orkest is heel moeilijk. Ik moet me beperken tot kleine ensembles, met zijn tweeën gaat het best: piano en sax, piano en zang, piano en mondharmonica... Drie instrumenten gaat ook nog wel, bij meer kan ik het eigenlijk niet goed meer volgen."

Wat is er aan de hand?
"Ik heb mijn hele leven al gezeik met mijn oren. Als kind had ik oorontstekingen, ik ben geopereerd aan mijn trommelvlies omdat er een gat in zat, mijn gehoorbeentjes zijn beschadigd. Met mijn rechteroor hoor ik maar voor de helft. En ik heb tinnitus."

Hoe uit die tinnitus zich: een constante piep of ruis?
"Tinnitus is een verzamelnaam voor verschillende ­gehooraandoeningen waarvan artsen niet alleen niet ­weten hoe ze werken, maar waar ze vooral ook nog geen reet aan kunnen doen. Veel mensen hebben die piep of ruis, maar ik kan slecht tegen bepaalde noten."

"Als ik op de piano de hoge fis aansla, word ik gek. Dat hele gebied daar doet pijn aan mijn oren. De eerste keer dat ik het merkte, was rond mijn zeventiende. Ik eerst nog denken dat het aan de piano lag: dat er een schroefje loszat, dat er iets meetrilde of zo."

Gehoorproblemen zitten ook in de familie.
"Ja, iedereen wordt doof. Mijn vader kan nog maar heel moeilijk een conversatie volgen. Hij heeft niet alleen een gehoorapparaat, maar ook een apparaat dat hij op je richt als je met hem praat, zodat je stem extra hard binnenkomt. Vergeleken daarbij is er met mij nog niks aan de hand, maar ik ben er wel heel bang voor dat het mij ook gebeurt."

Voor een muzikant is zo'n vooruitzicht natuurlijk nog eens extra eng.
"Ja, het is kut. Maar afgezien van de muziek, ben ik sowieso veel meer auditief dan visueel ingesteld. Kijk om je heen in mijn studio. Als ik visueel was ingesteld had ik al lang ingegrepen in die bende hier, maar ik vind rommel wel prettig eigenlijk."

"Ik ben mijn hele leven gefocust ­geweest op geluid. En aan veel van die geluiden zit een verhaal. In Tril heb ik die verhalen opgeschreven. Het is een soort autobiografietje geworden, niet volledig en kriskras door elkaar; mijn leven in geluiden. Het gaat veel over muziek natuurlijk, maar ook over heel andere geluiden, mooie én lelijke."

Wat is het allermooiste geluid?
"Het geluid van een fluisterend kind vind ik onwaarschijnlijk mooi. En ook mooi: het geluid aan boord van een schip. Aan de stem van mijn oma heb ik ook heel goede en warme herinneringen. Maar een zingende merel is óók waanzinnig mooi. Of nee, een uil, nóg mooier."

"We hadden er een tijd één in de achtertuin, maar zijn boom is geveld. Dan kwam hij zo geluidloos aanvliegen, of er een ruimteschip overkwam, en daarna begon het: ­oehooe, oehoeeeee... Prachtig. Maar het állermooiste is toch wel het knapperen van een vuurtje. Daar kan ik echt in verdwijnen, urenlang."

En het allerlelijkste geluid?
"Vrouwenkoren. En dan in het bijzonder van professionele zangeressen, een omroepkoor of zo. Het ligt niet aan de muziek, hoor, het ligt ook niet aan die vrouwen, maar door mijn aandoening kan ik het gewoon niet aanhoren: ik verga van de tinnitus. Wat echt lelijk is, het allerlelijkste dat ik heb gehoord, is het geluid van een MRI-scan. Ik lag voor een onderzoek een keer in zo'n tunneltje. Oordoppen in, maar ik werd helemaal gek."

"Het is een combinatie van geluiden: héél hoog en héél hard. Rrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr!!! Of er iemand met zo'n elektrische beitel, of hoe heet zo'n ding, in een betonnen wand stond te hakken. Daar moest ik wel even van bijkomen. Maar na een middagje Amsterdam, kan ik ook - echt waar - meteen naar bed."

U bent gestopt met cabaret. Waarom?
"Ik vond muziek uiteindelijk toch belangrijker. Ik vond het leuk om te doen, hoor, Thomas van Luyn en ik hebben ook best mooie dingen gemaakt, maar muziek komt voor mij toch op numero 1. Dat is waar ik al mijn hele leven echt aan verslingerd ben. Ik moet zeggen dat ik er ook ­genoeg van had om telkens maar achter die lach aan te jagen. Vind mij leuk! Dat wanhopige, ik werd er een beetje ziek van."

"Nu focus ik me op de muziek. Podium Witteman, waarvoor ik bijna elke week een lied schrijf, is mijn hoofdbaan. Verder treed ik op als pianist, meestal samen met zangeres Kim Hoorweg of mondharmonicaniste Hermine Deurloo. En met pianist Mike del Ferro geef ik improvisatieconcerten."

Als muziek zo belangrijk voor u is, waren die cabaret­jaren dan in zekere zin misschien verloren jaren?
"Oh nee, absoluut niet. Ik zeg ook niet dat ik nooit meer cabaret zal doen. Het zou heel goed kunnen dat Thomas en ik over tien jaar weer jubileumoptredens doen. Maar nu concentreer ik me op de muziek. Vroeger deed ik cabaret met een beetje muziek erbij. Nu maak ik muziek met hier en daar een geestige terzijde."

Ziet u Thomas van Luyn nog vaak?
"Ik heb hem laatst nog gezien. En we hebben mailcontact. Maar we zijn altijd beter geweest in met elkaar werken dan in het onderhouden van contact. Samen een voorstelling maken is ook heel intiem, hoor, misschien gaat het wel dieper dan vriendschap. Meer nog dan wanneer je ­samen musiceert, zit je als cabaretiers doorlopend op ­elkaars lip en op elkaars zenuwen."

"Thomas en ik communiceerden het best als we niet met elkaar praatten. Op het podium voelden we telepatisch aan wie wanneer zijn mond moest houden. Nooit zaten we elkaar dwars."

In uw vorige boek Pil beschreef u hoe u een jarenlange depressie overwon. Dreigt met uw toenemende gehoorproblemen geen nieuwe somberheid?
"Dat ik bang ben doof te worden, is relatief nieuw, maar met die tinnitus kamp ik al sinds mijn tienerjaren. Het is niet zo dat ik depressief werd toen het probleem zich openbaarde, maar mijn wereld stortte wel een beetje in."

"De muziek, dat gaat 'm niet worden, dacht ik. Maar met vallen en opstaan heb ik toch een hoekje bereikt waar ik kan doen wat ik leuk vind. Het hoeft ook niet per se met een orkest, hè? En alleen spelen kan ook nog altijd. Dan kan ik ook regelen dat ik om die hoge fis heen speel."

U bent sinds Pil niet meer depressief geweest?
"Eén keer. In 1998 ben ik begonnen met Anafranil. Ik heb de nodige andere antidepressiva gebruikt, maar dit is echt mijn pil. Die ene keer dat ik weer depressief werd, was toen ik dacht: ik kan het wel weer zonder medicijnen. Dat kon ik dus niet."

"Er wordt de laatste tijd vaak heel ­negatief gesproken over antidepressiva. Ik snap daar niets van. Met hulp van die pil ben ik al tien jaar een ­gelukkig en tevreden mens. Of nou, niet overdrijven. Het is onzin te denken dat je altijd gelukkig kunt zijn. Geluk komt in momenten, als je met een biertje bij een vuurtje zit of zo. Maar tevredenheid is tegenwoordig een rode draad in mijn leven."

Mike Boddé: Tril, uitgeverij Brandt, €18,50

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden