PlusAlbumrecensie

Met de Accademia Strumentale Italiana krijgt Rameaus muziek de slagkracht van een popliedje

Erik Voermans
null Beeld

Het ensemble Accademia Strumentale Italiana maakte in 2020 indruk met een opname van Bachs Die Kunst der Fuge. Bijzonder was dat ze het stuk uitvoerden in een versie voor gambaconsort – vijf viola da gamba’s en een orgel. Hun nieuwe album is gewijd aan de Franse evenknie van Bach, Jean-Philippe Rameau en zijn Pièces de clavecin en concerts. Andermaal musiceren ze op het hoogste niveau.

De stukken zijn bijzonder omdat van Rameau behalve deze vijf werken, simpelweg ‘eerste’ tot en met ‘vijfde concert’ getiteld, geen andere muziek voor kamermuzikale bezettingen is overgeleverd. Hij componeerde ze op rijpe leeftijd, kort voor zijn grote doorbraak als operacomponist met Platée, waarmee hij zelfs de critici wist te ontwapenen die hem eerder weinig vleiend hadden bejegend in de periode (1752-54) van de zogenoemde Querelle des Bouffons. Dat was een hartstochtelijk met de pen door de Franse intelligentsia uitgevochten ruzie over de vraag wat nu te prefereren was, de Franse of de Italiaanse opera.

De beroemde filosoof Rousseau deed er niet moeilijk over. Hij vond zingen in de Franse taal ‘alleen maar voortdurend geblaf, ondraaglijk voor alle onbevooroordeelde oren’, waaruit hij concludeerde dat de Fransen ‘geen muziek hebben en die ook niet kunnen hebben’.

Gulden middenweg

Rameau bevond zich op dat moment in het verkeerde kamp, omdat hij de voorkeur gaf aan de Franse tragédie lyrique boven de Italiaanse opera buffa, of opéra bouffon. In Platée vond hij een soort gulden middenweg, waarmee hij bewees dat je ook in de Franse stijl grappig en onderhoudend kon zijn. Platée was meteen een enorm succes. Zelfs Rousseau nam voor het stuk ruiterlijk zijn hoed af.

Maar voordat hij aan Platée begon en naam maakte als de grootste operacomponist van de Franse barok, schreef hij vijf stukken ‘voor klavecimbel in concertvorm’, een titel die verwarring wekt, want bij het woord concert gaan de gedachten uit naar de eenzame musicus die het opneemt tegen een groot ensemble.

Bij Rameau betekent het iets anders en dat was voor 1741 nieuw, al gebiedt de eerlijkheid dat hij goed had gekeken naar vergelijkbare stukken van Mondonville, die daarin de goeddeels geïmproviseerde basso continuo-partij van het klavecimbel had vervangen door volledig uitgeschreven noten (dat wordt een obbigato-partij genoemd). Dit was een grote stap in de muziekgeschiedenis, want hiermee vergrootte de componist de controle over zijn muziek.

Wondertjes van inventiviteit

In de Pièces de clavecin en concerts is het klavecimbel de motor achter alle ontwikkelingen. Voor de overige instrumenten is elke combinatie van fluit, viool en viola da gamba mogelijk. De Accademia Strumentale koos voor een van elk.

De stukken, met uitzondering van het derde concert alle driedelig, zijn zoals gebruikelijk bij Rameau wondertjes van inventiviteit en hebben soms de melodische slagkracht van een popliedje. Alle delen hebben tot de verbeelding sprekende titels, soms een emotie, een plaatsnaam of een componistennaam (Marais, Forqueray), waarbij Rameau geestig genoeg ook zichzelf niet vergeet. En waarom zou hij ook. Hij was de grootste van allemaal.

Klassiek

Jean-Philippe Rameau
Pièces de clavecin en concerts
(Challenge Classics)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden