PlusInterview

Mensje van Keulen: ‘Er staat gauw te veel op de pagina’

Van Mensje van Keulen verschijnt volgende week de nieuwe verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen. Een gesprek over de kracht van het korte verhaal en het wonder van fictie. ‘Ik kan echt weken over een alinea doen.’

‘Wat nog niemand heeft ontdekt aan deze en mijn vorige verhalenbundel is dat elk verhaal zich binnen 24 uur afspeelt.’Beeld Marie Wanders

Een kroegbezoeker weet met zijn verdriet over een overleden hond drank te bietsen; een vrouw neemt wraak op haar even ordentelijke als bedilzieke echt­genoot die een grap met haar heeft willen uithalen; een etentje van twee lang bevriende echtparen mondt uit in een echtscheiding; de moeder van een criminele zoon smeekt de rechter in een brief om een niet te mild oordeel. In de verhalen in Ik moet u echt iets zeggen van Mensje van Keulen (73) ontsporen situaties die ogenschijnlijk dood­gewoon zijn. Met weinig woorden laat ze het knarsen, wringen en schuren, zwarte humor ­altijd om de hoek. “Want dat is toch prettig – dat er, ook al is het verschrikkelijk, toch ook wel een beetje om te lachen valt.”

Haar nieuwe boek verschijnt in de Week van het Korte Verhaal – een week waarin, na vijf jaar, de M.J. A. Biesheuvelprijs voor het korte verhaal níet wordt uitgereikt, omdat de jury oordeelde dat er onder de inzendingen geen prijswaardig boek was. Van Keulen: “En dat ­terwijl het zó terecht was dat die prijs was in­gesteld. Temeer omdat de organisatie van de Libris Literatuurprijs zo onzinnig was om korte verhalen na 2010 niet meer voor de prijs in aanmerking te laten komen. Belachelijk, schandalig, omdat juist het korte verhaal doorgaans ­fictie bij uitstek is.”

Ze was in dat jaar een van de zes genomineerde schrijvers met haar verhalenbundel Een goed verhaal. “Ik vond het behoorlijk eng bij die uitreiking in het Amstel Hotel. Er kwam een kelner met een blad champagne mijn kant op en ik dacht: Jezus, nu gaat het gebeuren. Ik vind competitie sowieso naar. Ik heb het genoegen gehad een paar keer een oeuvreprijs te mogen ontvangen. Het mooie: dan weet je vooraf van niks. Dan krijg je het nieuws en zit je duizelig op je stoel dat te verwerken. Maar met zo’n Librisprijs heb je eerst de zenuwen van de longlist naar de shortlist toe. En dan die uitreiking zelf. Ze doen schrijvers wat aan! Zo’n competitie is commercieel van belang natuurlijk, het zal nodig zijn om de boeken naar de lezer te krijgen. Maar veel schrijvers, vooral degenen die niet worden gezien, hoewel ze een goed boek schreven, lijden eronder.”

Lacht, relativeert: “Je moet er maar niet te veel aan denken en gewoon doorschrijven.”

Mensje van Keulen, Ik moet u echt iets zeggen. Atlas Contact, €19,99 144 blz.

In 2010 maakte de kelner alsnog een draai in de richting van Bernard Dewulf, die won met Kleine dagen. Oók een verhalenbundel. “Twee bundels op de shortlist waarvan er één won. Daarna hebben ze het korte verhaal als genre voor de prijs geschrapt. En het zijn er al zo weinig. Op die paar honderd boeken per jaar maken verhalen nog geen vijf procent uit, dus waar maakten ze zich druk om? Ik zeg: Libris, zet de deur weer open. Nu is ook de Bookspot Literatuurprijs afgeschaft, het boekenprogramma van de VPRO is afgeschaft. Het wordt steeds erger – als er minder gelezen wordt, dan doen de media daar hard aan mee.”

“Ik snap ook niet waarom het korte verhaal niet populairder is. Het is vaker gezegd, maar dat is geen reden om het niet meer te zeggen. In onder andere Duitsland, de Verenigde Staten en Japan heeft het korte verhaal wél de status die het verdient. Juist nu de tijd zo jachtig is, zou het aan populariteit kunnen winnen. Het is een geweldig genre. Ik houd ervan, voel me er bij thuis, lees ze ook graag. Een paar bladzijden kunnen er soms meer inhakken dan honderd. Waarmee ik niet zeg dat ik niet van romans hou, natuurlijk niet. Maar het is een ander genre. In de afgelopen vijftig jaar heb ik altijd geweten of wat ik wilde schrijven een verhaal moest worden of een roman. Bij een kort verhaal krijg je als lezer direct met een hoofdpersoon te maken, beland je al snel midden in een situatie die je nieuwsgierigheid aanwakkert.”

Als ik uw bundel lees, krijg ik het gevoel dat u steeds spaarzamer bent gaan schrijven.

“Ik was altijd al wel spaarzaam. Ik heb ook nooit romans boven de driehonderd bladzijden geschreven, ik kom zelden boven de tweehonderd. Ik houd van bondigheid. Waarom uitbreiden, waarom vulzinnen die niet nodig zijn? En dat geldt voor zowel een kort verhaal als een roman. Ik ben gaan hechten. De lezer is niet achterlijk. Als ik een boek opensla, zie ik vaak met één blik dat er te veel op de pagina staat. Dat na de komma een zelfde inhoudelijke zin volgt als voor de komma.”

Later laat ze in haar werkkamer een kast vol­gestouwd met schriften zien. Als ze aan een ­roman werkt, ziet ze vaak dingen voor zich waarvan ze weet dat die kunnen dienen voor een kort verhaal. “Tijdens het schrijven komen de associaties – dan springt er iets over in het duistere universum dat je brein is. Die noteer ik. Soms vraagt een situatie gewoon om een kort verhaal. Ondertussen liggen hier honderden aantekeningen, die ik overigens nooit meer doorneem. Ik beperk me tot de laatste schriften.”

U kiest vaak voor een duistere twist, ook in de verhalen in deze bundel.

“Ik hou van thrillers. Alleen al als ik dat woord zie staan! Van boeken, maar ook van films. Ik denk dat ik veel te danken heb aan die paar boeken in de kleine boekenkast van mijn vader. Met verhalen die aanbevolen werden door Hitchcock, verhalen van Edgar Allan Poe, Roald Dahl. Die staken iets aan waar ik niet meer vanaf ben gekomen.”

“Patricia Highsmith las ik ook graag, naast de literatuur, Ruth Rendell. Maar de boeken van bijvoorbeeld Marcellus Emants, Bordewijk, veel Russische romans, en ook Madame Bovary, zijn boeken die in feite de spanning van een thriller kennen. Het vaste element: mensen doen elkaar iets aan. Uit wraak, haat, liefde, jaloezie. Het is altijd een verrassing, kijken hoe ver je kunt gaan. Maar wat je schrijft, ook als het surrealistisch of anderszins ongewoon is, moet wel geloofwaardig zijn, je meenemen”

“Wat nog niemand heeft ontdekt aan deze en mijn vorige verhalenbundel, is dat elk verhaal zich binnen 24 uur afspeelt. Ik denk dat dit ze sterker maakt, spannender dan ‘een week later’ of ‘een maand later’. Je kunt heel veel vertellen binnen een kort tijdsbestek. Wat er binnen die beperkte tijd met de personages gebeurt, omvat zoveel van hun levens. Er is ze iets overkomen, er is een confrontatie, er gebeurt iets waarmee ik hun levens soms openrijt.”

Daarmee legt u zichzelf dus ook bewust een beperking op. Bent u strenger voor uzelf geworden als schrijver?

“Jawel, ik denk dat de zelfkritiek is toegenomen: mijd clichés, weid niet te veel uit. Ach, het is een heel proces dat lastig is uit te leggen. Ik zou niet op de schrijversvakschool les kunnen geven, aan kunnen geven hóe je zou moeten schrijven, waarom iets uniek is en niet een kloon. Ik heb wel altijd het gevoel met iets nieuws te moeten komen. Mijn boeken zijn niet dik, maar ik doe er soms heel lang over. Ik kan echt weken over een alinea doen, ik kan soms zo vastzitten voor het weer vloeit.”

“En niemand weet wat ik onder handen heb. Niemand laat ik iets lezen, mijn man niet, mijn zoon niet, de uitgeverij niet. Het zou de magie stuk maken. Dat zal misschien in de ogen van anderen bijgeloof zijn, maar dan is dat maar zo. Het kan niet en het mag niet! Ik schrijf eerst met pen, daarna gebruik ik de computer als een zeer verbeterde typemachine. Pas als het af is, print ik het uit. En pas dan mogen mijn man en mijn gepensioneerde uitgever Emile Brugman het lezen.”

U heeft het over de ‘magie’. Wat is die volgens u?

“Dat is het avontuur, het wonder van fictie. Dat je een totaal onbekend terrein kunt betreden, waarin het mogelijk is dat je óf heel oud óf heel jong bent, crimineel of goedhartig, dat je iets kunt ondergaan als man of dwerg of wie dan ook, iets kunt doen wat je in je eigen leven niet kan of zal doen. Je personages kunnen van alles uithalen. Ik zou mijn leven niet ­kunnen voorstellen zonder het schrijven van fictie, het zou heel saai zijn. Ik weet niet wat ik dan zou moeten doen met wat ik zoal bedenk, met wat allemaal nog komt spoken. Het is een heerlijk bestaan. Als het lukt. Alleen als het lukt.”

Dat klinkt alsof het ook nog kan mislukken. Voelt dat nog steeds zo – na al die jaren als schrijver?

“Ik ben soms ineens verbaasd dat al die titels achter me liggen. Raar inderdaad, dat ik soms denk dat ik zal falen. Altijd is er weer die plankenvrees.”

“Aan de ene kant ben ik zo eigenwijs dat ik niet wil dat een ander zegt dat een per­sonage eruit moet, of een verhaal moet worden veranderd. Tegelijkertijd is er altijd de huiver dat ik het mis heb en het boek wordt afgewezen. Maar dat is gelukkig nog niet gebeurd.”

Mensje van Keulen

Mensje Francina van der Steen (Den Haag, 1946) schrijft onder het pseudoniem Mensje van Keulen. Ze werkte voor de literaire tijdschriften Propria Cures en Maatstaf en debuteerde in 1972 met de roman Bleekers zomer. Haar werk werd bekroond met onder meer de Annie Romeinprijs (2003), de Charlotte Köhler Prijs (2011) en de Constantijn Huygens-prijs (2014).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden