Plus Concertrecensie

Meesterpianist Maurizio Pollini klinkt soms wat modderig

Pollini is een meesterpainist, maar in het Concertgebouw kon hij niet verbloemen dat er iets van zijn vermogen is verdwenen.

Maurizio Pollini Beeld Philharmonie Essen

Als muziekmaken een mysterieuze optelsom is van techniek en mededeelzaamheid, en muzikaal genot een wiskundige formule waarin je op een geheimzinnige manier verwachting, reputatie van de musicus, de prijs van het toegangskaartje, het programma, de sfeer in de zaal en de zeer subjectieve werkelijkheid van de vertolking verdisconteert, dan was het recital dat Maurizio Pollini dinsdagavond in de Grote Zaal van het Concertgebouw gaf een hoofdbrekens veroorzakende gebeurtenis.

Dit klinkt ingewikkelder dan het is. Ik zal het uitleggen.

Pollini is een meesterpianist, die over de hele wereld volle zalen trekt, zelfs als de toegangsprijzen, zoals dinsdagravond, oplopen tot 84 euro. Hij is nu 77 jaar en dat is te zien aan de voorzichtige, bijna schuifelende ­manier waarop hij in het Concert­gebouw de 33 treden van de trap met de rode loper afdaalt. Helaas is het ook te horen aan zijn spel, dat hoorbaar heeft ingeboet aan precisie en de bijbehorende, onder een koude schil schuilgaande expressieve hevige hitte. Pollini’s pianistiek had altijd nucleaire kwaliteiten.

Aangekondigd was dat hij Chopin zou spelen en het eerste boek met Préludes van Debussy, maar omdat hij van gedachten was veranderd, stonden nu de laatste drie sonates van Beethoven op het programma. Dat was iets om je op te verheugen.

Pollini had zijn eigen vleugel meegenomen, een Steinway-Fabbrini, met een net iets spichtiger klank dan de Steinways die gewoonlijk in het Concertgebouw worden bespeeld. Die slankere klank heeft in de late Beethovens, met zijn dichte poly­fonie en krankzinnige textuur­contrasten alleen maar voordelen. 

In theorie althans. 

In de praktijk was transparantie bij Pollini vaak een onvervulde wens, met name in de derde variatie van de Arietta in opus 111, waarvan de jazzy ritmische implicaties zelden zo stijf of zelfs modderig zullen hebben geklonken.

Pollini was op zijn best in de talrijke verstilde, gebedachtige en hartverscheurend desolate momenten, bijvoorbeeld in het langzame deel van opus 110, of de finale van opus 109, maar ook hier kon hij niet verbloemen dat er iets van zijn kleurend vermogen was verdwenen.

Na opus 111 kwam hij terug voor een toegift. Dit was een onnodig bagatel.

Klassiek Maurizio Pollini
Wat Beethoven, sonates 30, 31 en 32
Gehoord 8/10, Concertgebouw

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden