PlusBoekrecensie

Martin Amis - Uit de eerste hand: sleetse versies van zijn greatest hits

Schrijver Martin Amis. Beeld Getty Images
Schrijver Martin Amis.Beeld Getty Images

‘Het boek dat je in je handen houdt,’ schrijft Martin Amis (1949) ergens op twee derde van zijn dertigste, ‘noemt zichzelf een roman – en het is ook een ­roman, daar sta ik op.’ Waarmee je, als dat in de vierhonderd pagina’s daarvoor niet al glashelder was ­geworden, definitief zeker weet dat Uit de eerste hand dat dus niet is. Althans, lang niet alléén een roman.

Wat dan wel? Van alles tegelijk, ­eigenlijk. En te veel tegelijk ook, ­helaas.

Zo is het, legt Amis uit in het nogal melig beginnende Voorspel (‘Welkom! Kom binnen. Ik pak gewoon je jas aan’), een hernieuwde poging het boek te schrijven dat ooit de ‘pretentieuze werktitel’ Leven. Een roman droeg. Een project dat hij in 2005, na dertig maanden werk en honderdduizend geschreven woorden, als mislukt moest beschouwen. Verder komen er afdelinkjes met meer en minder nuttige ‘schrijflessen’ ­voorbij.

Er zijn inderdaad romanachtige ­intermezzo’s, waarin het hoofdper­sonage, ‘Martin’, vanuit een gelukkig gezinsleven met ‘Elena’ (de tweede naam van Amis’ echtgenote, Isabel Fonseca) terugkijkt op zijn verleden, vanaf ruwweg begin jaren zeventig. In essayistische terzijdes en amusant wijdlopige voetnoten buigt de schrijver zich over alles van ‘de ontwikkeling van de roman’ en het werk van geliefde auteurs als Vladimir Nabokov, Joseph Conrad en Jane Austen tot verschillende inmiddels (over)­bekende historische en politiek-maatschappelijk stokpaardjes.

Bovenal vormt Uit de eerste hand een soort-van-vervolg op Experience (2000). Het soort-van-memoir, waarin Amis vooral openhartig schreef over zijn relatie met zijn in 1995 overleden vader Kingsley.

Kingsleys plek wordt hier in feite ­ingenomen door drie mannen, aangeduid als ‘de dichter’, ‘de romancier’ en ‘de essayist’, wier leven, betekenis (voor hem) en dood Amis knap en bij vlagen ontroerend schetst. Zijn vaders vriend en door hem bewonderde dichter Philip Larkin (1922-1985), zijn Amerikaanse ­literaire surrogaatvader Saul Bellow (1915-2005) en zijn vaak virtuoos provocerende boezemvriend Christopher Hitchens (1949-2011).

Bij Larkin verkent hij zowel diens schitterende werk als de moeizame relatie die de dichter had met vrouwen en seksualiteit, plus de schaduw van diens fascistische vader Sidney. Hitchens’ verloren strijd tegen slokdarmkanker wordt onkarakteristiek rauw en openhartig beweend, terwijl de jongensachtige intellectuele esprit van ‘Hitch’ tegelijk levendig van de pagina’s spat. En de schrijnende geestelijke teloorgang van Bellow, als gevolg van dementie, levert tragikomische scènes op die je geheid de keel dichtsnoeren.

Doodzonde dat een loepzuiver ­portretdrieluikje nu verscholen gaat onder een berg aan herhalingsoefeningen, eindeloze zijpaden en literair geschmier. Alsof een oude rocker steeds maar sleetse versies van zijn greatest hits speelt, terwijl je eigenlijk dat ene nieuwe prachtliedje wilt horen.

Fictie

Martin Amis
Uit de eerste hand
Vertaald door Paul van der Lecq en ­Arthur Wevers, ­Atlas Contact, €34,99, 627 blz.

null Beeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden