Plus Ten Slotte

Mariss Jansons (1943-2019) gaf alles voor zijn muziek

Er is een foto waarop een driejarige Mariss Jansons staat te dirigeren, met een baton/potlood in zijn rechterhand en voor zich een opengeslagen partituur. Als kind van Arvids Jansons, de beroemdste dirigent van Letland, was dat iets volkomen vanzelfsprekends.

Mariss Jansons Beeld EPA

Arvids Jansons was sinds 1944 de de chef van de Opera van Riga. Mariss’ moeder, Iraida Jansone, was in dat operahuis de belangrijkste mezzosopraan. De carrière van vader Arvids zou een hoge vlucht nemen, maar de zoon zou het nog verder brengen.

Mariss Jansons groeide uit tot een van de beroemdste en geliefdste dirigenten van zijn tijd, met chefschappen in Oslo, Pittsburgh en, van 2002 tot 2015 van het Koninklijk Concertgebouworkest, dat tijdens zijn règne door het toonaangevende tijdschrift Grammophone in 2008 werd uitgeroepen tot allerbeste orkest van de wereld.

Gedurende zijn Amsterdamse chefschap was hij ook de muzikaal leider van nóg een absoluut toporkest, het Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Toen hij om gezondheidsredenen kalmer aan moest gaan doen, vertrok hij uit Amsterdam en hield hij zijn positie in München aan, omdat hij daar nog de verwezenlijking van een hartewens hoopte mee te maken: de bouw van een gloednieuwe concertzaal.

Die zaal kwam er niet, tot zijn grote teleurstelling, maar als hij ooit spijt heeft gehad van zijn besluit Amsterdam te verlaten, heeft hij die nooit in het openbaar uitgesproken.

De laatste jaren zegde hij om gezondheidsredenen steeds vaker concerten af. Na een hartaanval in 1996 in Oslo, terwijl hij op de bok in Oslo Puccini’s La bohème stond te dirigeren, was hij nooit meer helemaal de oude geworden.

Die hartaanval was de echo van zijn vaders levenseinde, die in 1984 midden in een concert met het Britse Hallé Orchestra was gestorven. Sindsdien leefde de zoon met de permanente angst dat hem wellicht ooit hetzelfde lot wachtte. Niet dat hij er minder hard om ging werken. Muziek was voor hem alles en kreeg ook alles. Maar zijn artsen en zijn echtgenote Irina moeten soms met grote zorg hebben gezien hoe hij er na afloop van een veeleisend concert kon uitzien – meer dood dan levend, uitgewrongen, alsof hij tot het ultieme offer bereid was. Uiteindelijk stierf hij zaterdagavond in zijn woonplaats Sint Petersburg, de stad waar zijn carrière was begonnen.

De familie Jansons woonde nog in Riga toen vader Arvids in het toenmalige Leningrad aan de slag kon als assistent van de grote Mravinski, de chef van het vermaarde Leningrad Philharmonisch Orkest. Mravinski zag hem zelfs als zijn opvolger, maar de Sovjetautoriteiten beslisten anders. Joeri Termirkanov, een Rus, kreeg de post, en niet Jansons, de Let. 

Mariss verhuisde in 1957 naar Leningrad om daar viool, piano en directie te gaan studeren aan het conservatorium. Hij sprak de taal aanvankelijk amper. Hij omschreef zijn Russische studietijd later als ‘keihard’. “Het niveau was er onnoemelijk veel hoger dan in Riga.”

En als zoon van een beroemde dirigent wist hij dat er extra op hem werd gelet. Ongetwijfeld heeft dat er allemaal toe bijgedragen dat hij zich ontwikkelde als een van de grootste talenten van zijn generatie. Na zijn Russische tijd vervolgde hij zijn studie in Wenen bij Hans Swarovsky en nadat hij in Berlijn het Von Karajan-dirigentenconcours had gewonnen, was hij klaar voor een carrière.

Van de Sovjets mocht hij geen chef worden in Oslo, maar zonder die titel mocht hij er wel aan de slag. Hij zou er twintig jaar blijven, een periode waarin hij het Noorse orkest wist op te waarderen naar de Europese top.

In 1988 maakte hij zijn debuut bij het Concertgebouworkest. Het was liefde op het eerste gezicht, maar aan een chefschap dacht nog niemand, aangezien in Amsterdam net de Italiaan Riccardo Chailly was benoemd. In 1997 werd hij de baas van het Pittsburgh Symphony Orchestra, dat onder zijn leiding de wereldtop aantikte. Maar zijn gezondheid stond het voortdurend heen en weer vliegen tussen Amerika en Europa niet lang toe. De jetlags waren schadelijk voor zijn conditie. Hij gaf Pittsburgh op en belandde in Amsterdam, waar hij veel onvergetelijke concerten leidde, die uitblonken in degelijkheid.

Hoogtepunten waren uitvoeringen van Dvoráks Negende symfonie en Mahlers Tweede en vooral ook Sjostakovitsj’ Lady Macbeth uit Mtsensk, in de bak van De Nationale Opera. Eigentijdse muziek had niet zijn belangstelling. De wereldpremière van Louis Andriessens Mysteriën liep uit op een zeperd.

Een laatste stille wens werd nooit gerealiseerd: hij wilde graag een klein theater leiden en daar zijn liefde voor de opera belijden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden