PlusAlbumrecensie

Mäkelä’s Sibelius klinkt te opgewekt

Erik Voermans
null Beeld

De jonge Finse dirigent Klaus Mäkelä, 26 is hij pas, heeft een exclusief contract getekend met platenmaatschappij Decca. Voor de laatste dirigent die dat kon zeggen, moeten we ver terug naar de vorige eeuw, naar Riccardo Chailly, die in 1978 zijn handtekening zette bij het Britse label.

Mäkelä stapt niet alleen in de voetsporen van Chailly, maar ook van grootheden als Georg Solti en Herbert von Karajan.

Chailly was van 1988 tot 2004 de chef-dirigent van het Concertgebouworkest, een positie waarin hij Bernard Haitink opvolgde. Mäkelä is bij hetzelfde orkest de gedoodverfde opvolger van Daniele Gatti, die daar in 2018 onvrijwillig vertrok, na beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag.

Concertgebouworkest

De gedachte aan Mäkelä als achtste chef van het Concertgebouworkest ligt voor de hand, omdat er niet alleen een onmiskenbare, bijzondere klik is tussen musici en dirigent, maar ook omdat er geen realistische alternatieven voorhanden lijken te zijn voor een gezelschap dat in de absolute wereldtop wil functioneren.

Een complicerende factor bij Mäkelä is dat hij nog tot 2027 contractueel is verbonden aan het Orchestre de Paris en de Oslo Philharmonic, maar vijf jaar zijn zo voorbij – Gatti is alweer vier jaar weg en dat voelt nog steeds als gisteren – en in de tussentijd kan een titel als ‘aankomend chef-dirigent’ (Chief Conductor Designate) wonderen doen voor de internationale pr.

Aan het einde van de zomer komt het Concertgebouworkest met nadere berichten. Spannende tijden.

Visitekaartje

Intussen geeft Mäkelä zijn visitekaartje af met zijn eerste album voor Decca, met daarop de zeven symfonieën van Finlands grootste componist, Jean Sibelius. Voor de volledigheid zijn ook Sibelius’ laatste stukken toegevoegd, het symfonisch gedicht Tapiola en korte schetsjes voor de nooit voltooide Achtste symfonie, ingekleurd door Timo Virtanen.

Gebrek aan lef kun je Mäkelä met zijn keuze voor Sibelius niet ontzeggen, want de symfonieën zijn meervoudig compleet opgenomen door niet de minste dirigenten, denk aan Paavo Berglund (drie cycli), Osmo Vänskä en vooral Colin Davis (twee cycli). Met name de laatste en wel die met het London Symphony Orchestra, zal wel voor altijd onovertroffen blijven, al staat Mäkelä nog aan het begin van zijn ontwikkeling natuurlijk.

Mäkelä vs. Davis

Ja, ook Mäkelä legt het meestal af tegen Sir Colin Davis. Meteen al de verstrengelende klarinetten waarmee de eerste symfonie begint, klinken bij de Brit veel spannender. Daar staat tegenover dat de volksmelodie aan het begin van de Derde symfonie bij de Fin krachtiger uit de verf komt, ook al omdat hij over het algemeen iets snellere tempi neemt.

Het begin van de Vierde is pure spierballenrollerij, terwijl bij Davis iets van een onbestemde doem overheerst. Ook het begin van nummer Vijf is bij Mäkelä minder toverachtig en voor Zes geldt hetzelfde, al is het extra gewicht dat de Fin hier aan de strijkers geeft wel zeer bijzonder mooi.

In Zeven begint Mäkelä poëtischer, maar de laag van dodelijke eenzaamheid die Davis daarna weet aan te boren, blijft bij zijn jonge collega te vaak verborgen.

Tapiola klinkt bij het orkest uit Oslo slanker, maar te opgewekt. Dat zal vast de jeugd zijn.

Klassiek

Klaus Mäkelä
Sibelius
(Decca)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden