PlusBoekrecensie

Literaire sensatie Maeve Brennan maakte ragfijne schetsen van New York

De cursiefjes die de Ierse Maeve Brennan schreef als ‘breedsprakige dame’ in The New Yorker zijn nu in vertaling verschenen. Brennan was een literaire sensatie, maar ze eindigde roemloos in de goot.

Maeve Brennan beschreef het New York waar sporen van intermenselijk contact hebben plaatsgemaakt voor de anonimiteit van een doorgangsplaats.Beeld Ernst Haas/Getty Images

Het is een scène als zo’n desolaat, voyeuristisch schilderij van Edward Hopper, die alinea in het cursiefje ‘Ik kijk neer vanuit de ramen van het Old Broadway Hotel’, dat op 21 oktober 1967 verscheen in de rubriek Talk of the Town in The New Yorker.

In de niet-ondertekende bijdrage, aangekondigd als ‘een bericht van onze vriendin de breedsprakige dame’, doet de schrijfster precies wat de titel belooft. En wat ze ziet stemt niet vrolijk. Aan Forty-Eight Street West vormen een paar resterende arbeidershuisjes ‘een diepe put binnen de hoog opgerezen City’. Een trombonist die elke avond een concert geeft op een dak, anderhalve verdieping boven straatniveau, wordt verder door niemand opgemerkt. Zoals in het vervallen ‘centrum van het amusement van New York’ toch haast alle sporen van intermenselijk contact hebben plaatsgemaakt voor de anonimiteit van een doorgangsplaats. Vol reizigers, toeristen en andere passanten, en met wat verweesde enkelingen die bleven, vooral om hoe het hier vróéger was.

En dan zoomt ze ineens in: ‘Een oude vrouw die op zichzelf woont, in haar eentje in een hotelkamer, raakt over haar toeren van angst en pakt de telefoon maar ze kent niemand die ze op kan bellen. Ze probeert de receptionist te vertellen waar ze bang voor is, en hij luistert, maar hij moet op het schakelbord letten en de toegangsdeur en de liften bewaken, (…) en in ieder geval heeft hij haar verhaal al veel vaker gehoord.’

Zodra ze de hoorn neerlegt, heeft de oude vrouw spijt. ‘Dit is haar laatste verblijfplaats in het land van de levenden, en ze wordt hier alleen maar gedoogd.’ Ze wordt geacht niet klagen, niet de aandacht op zich te vestigen. Want: ‘Als je oud en arm bent en je jaagt het kamermeisje tegen je in het harnas, dan ben je ongelukkig.’

Maeve Brennan, hier in 1945, begon haar schrijvers­carrière als moderedactricebij Harper’s Bazaar.Beeld Nina Leen/Getty Images

Stille wanhoop, hopperiaans ingekaderd door een raamkozijn. Angst ook om zomaar over de rand van de samenleving te vallen; afgedankt en aan je lot overgelaten.

In 1969 werden 47 van deze nu vertaalde Breedsprakige Damecolumns voor het eerst gebundeld in The Long-winded Lady. En toen pas bleek dat de auteur de Ierse Maeve Brennan (1917-1993) was, die als lid van de (literaire) jetset mijlenver verwijderd leek van zo’n zieltogend bestaan. Vooral het relaas van haar Amerikaanse jaren leest lang als een sprookje. Op haar zeventiende kwam Brennan min of meer gedwongen naar de VS, omdat haar vader, oud-propagandachef van de IRA, als eerste ambassadeur van Ierland in Washington werd gestationeerd. Na een korte periode als bibliothecaresse in die stad, vond ze in New York haar bestemming: eerst als moderedactrice bij Harper’s Bazaar en, vanaf 1949, toen de rest van haar familie alweer was teruggekeerd naar Ierland, als één van de eerste vrouwen die toetraden tot het walhalla van de The New Yorker-redactie.

Scherpe tong

Ze werd er dankzij haar boekrecensies, korte verhalen én sprankelende aanwezigheid een Dorothy Parkerachtige sensatie: enerzijds een Holly Golightly avant la lettre (en naar verluidt werkelijk een inspiratiebron voor dat personage uit Truman Capotes Breakfast at Tiffany’s (1958)), anderzijds one of the guys op de redactievloer en in stamkroeg Costello’s Mahagony Bar. Ze werd gevreesd om een tong ‘scherp genoeg om er een heg mee te snoeien’, en aanbeden om haar talent door hoofdredacteur William Shawn, vermaard redacteur fictie William Maxwell en de al even borrelbeluste St. Clair McKelway, met wie ze vanaf 1955 vijf, eh, rijkelijk besprenkelde huwelijksjaren deelde.

Kers op de taart: het ook in 1969 verschenen In and Out of Never-Never Land (1969), de eerste van twee schitterende verhalenbundels, geïnspireerd op haar Ierse jeugd, waarin het vast­lopende huwelijk van Martin Bagot en zijn wanhopige huisvrouw Delia in een voorstadje van Dublin in intense, benauwende zinnen wordt geschetst. (Zeven van de acht verhalen verschenen in 2017 in vertaling als Twaalfjarige bruiloft.

Literaire dubbelslag

Een paar jaar na die literaire dubbelslag werd echter duidelijk dat Brennan wel degelijk aan de rand van de (sociale) afgrond stond. Achteraf kun je bij lezing van De breedsprakige dame vaststellen dat de Ierse nooit een onproblematisch thuis vond in New York. Ze was er dan wel geboren, maar schreef desalniettemin in het voorwoord dat ze haar breedsprakige alter ego ook na vijfentwintig jaar niet als een echte New Yorker beschouwde.

In al die ragfijne stadsschetsjes is ze de opmerkzame buitenstaander. De ‘gevestigde reiziger’, die minutieus noteert wat ze zag en hoorde, zittend op parkbankjes of weggedoken in vrijwel uitgestorven restaurants. Hoe twee vrouwen genadeloos roddelden over een afwezige derde. Hoe een meisje ‘als twee slangen’ over Broadway liep en drie vervelende types, ‘Wreedheid en Stompzinnigheid en Nare Herrie’, de rust verstoorden in een geliefd boekhandeltje. Of hoe kwetsbare oude vrouwtjes achter hotelkamerramen eenzaam verkommerden.

Dakloos

Niets van dat alles deed vermoeden hoe schrijnend haar succesverhaal zou eindigen. Na publicatie van haar tweede verhalenbundel, Christmas Eve (1974), raakte ze steeds meer in de ban van paranoïde waanbeelden en andere stoornissen, die niet konden worden verholpen in periodieke verblijven in psychiatrische inrichtingen.

In 1993 stierf ze in een verpleeghuis, waar niemand wist dat ze ooit een beroemd schrijfster was geweest. Zelfs zijzelf niet. Voordien leefde ze jarenlang als dakloze, die vaak mocht schuilen in een hokje in het kantoorgebouw van The New Yorker, vlak bij de wc’s. Een schim, het ongewassen grijze haar bijeengebonden in een staartje, die zwijgend naar de linoleum tegels staarde. Die soms, wanneer ze er sliep, een bureau kort en klein sloeg. En die, toen ze daar ‘s nachts om die reden niet meer mocht verblijven, aan het eind van de werkdag zwijgend weer vertrok.

Een spookachtige huls van een personage – onder gelukkiger omstandigheden zou Maeve Brennan haar meesterlijk hebben beschreven.

€20,00, 280 blz.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden