PlusInterview

Leven van licht en lucht, Gerda Blees schreef over een woongroep

Gerda Blees vertelt in haar roman Wij zijn licht het verhaal van de hongerdood van een lid van een woongroep die wil leven van licht en lucht. Zelfs het perspectief van een slowjuicer komt aan bod.

Gerda Blees: ‘Ik houd van het contrast tussen dat spirituele verhaal en de huis-tuin-en-keuken-knulligheid van dat rijtjeshuis.’Beeld Getty Images

Ze geeft boterhammen een eigen stem en toon, de nacht, de plaats delict, twijfel, weerstand, de slowjuicer, het licht, twee sigaretten, geitenwollen sokken, dementie. En ook het lichaam van Elisabeth, koud en van een luchtbed via een brancard een busje ingetild en overgebracht naar een vreemd ­gebouw met roestvrijstalen oppervlakken, met lijken zoals het hare opgeborgen in mensgrote lades.

Elisabeth is in de roman Wij zijn licht van Gerda Blees het 62-jarige lid van een woongroep van vier in een rijtjeshuis, Klank en Liefde. Ze is de zus van de zelfbenoemde leider ­Melodie en bezweken aan zelfopgelegde ­uithongering, waarmee hogere spiritualiteit wordt nagestreefd.

Blees werd geïnspireerd door een nieuws­bericht uit 2017 over een dergelijk sterfgeval in een Utrechtse woongroep, waarbij de overige leden enkele dagen in hechtenis werden gehouden op beschuldiging van dood door nalatigheid. Met haar toonzetting in steeds wisselende perspectieven, soms droogkomisch, vaak ook aangrijpend en zeer menselijk, kleurt ze het verhaal van de mensen die willen leven van licht en lucht op geheel eigen wijze in.

“Toen ik dat nieuws had gelezen, begon het meteen te kriebelen. Het sprak erg tot de verbeelding, zo’n groepje mensen dat besluit niet meer te eten, met alles wat erbij hoort. En dat contrast tussen enerzijds een spiritueel verhaal met dat hoge ideaal en anderzijds de huis-tuin-en-keukenknulligheid van dat rijtjeshuis met de slow­juicer.”

Hoe kwam u op het idee van die wisselende perspectieven, van mensen tot omstandigheden tot voorwerpen?

“Dat ik het verhaal vanuit verschillende perspectieven zou beschrijven, wist ik al snel. Ik had eerst alleen mensen in gedachten, maar dat voelde een beetje beperkt. Toen kwam ineens het idee dat er meer hoeken zijn van waaruit je kunt kijken. Als eerste perspectief bedacht ik de nacht. En daar kwamen al die andere perspectieven achteraan rollen. Het was spannend, want ik wist niet of het ging werken. Ik heb er lang over gedaan voor ik het liet lezen aan mijn redacteur, ik hou niet van meelezers als ik zelf nog niet tevreden ben. Lukt het? Trapt ze erin? Of is het toch te kunstmatig? Het was een groot risico met zo’n ingreep.”

Ik kan me voorstellen dat u tijdens het schrijven ook veel plezier hebt beleefd aan wat er ineens allemaal mogelijk werd.

“Het had een grote speelsheid, ik kon veel ­dingen uitproberen. Het perspectief van de sinaasappelgeur was wel het uitdagendste. Dat had ik al bedacht voor ik wist wat de relevantie ervan zou zijn. Dus toen ik aan dat hoofdstuk begon, gaf ik mezelf de opdracht: wat heeft de sinaasappelgeur te vertellen? Ik kon spelen met de taalregisters van de verschillende perspectieven, ik kon veel meer uitproberen met taal dan wanneer je één toon kiest die je het hele verhaal moet volhouden.”

Ook een opmerkelijke: het hoofdstuk waarin het verhaal het woord neemt, u een sneer geeft (‘Wij vermoeden dat het een anticlimax wordt, als de schrijver zo door blijft gaan’) en de lezer maant terug te bladeren naar pagina 17 en die zorgvuldiger te lezen. Wat ik ook heb gedaan, met brede grijns overigens.

“Ik zat op een punt in het schrijfproces dat ik er zelf behoefte aan had mijn eigen twijfels een stem te geven. Ook dit perspectief had ik al vroeg bedacht. Ik vond het mooi om te laten zien hoe het verhaal in wording is en hoe ik dit tijdspad en deze uitsnede uit de tijd heb gekozen – en omdat het een open einde heeft.”

Doelt u met anticlimax op het feit dat de drie resterende leden van de woongroep worden vrijgelaten en op dezelfde voet doorgaan? Zoals bij de echte woongroep ook gebeurde?

“Ja, al staat in mijn boek Muriël, een van de leden, ’s nachts nog wel op met het voornemen de groep te verlaten. Dat vond ik zelf een hele verrassing. Ik had in mijn hoofd: ze zijn thuis en leven gewoon zo verder, maar al schrijvende kwam dat toch nog tot een keer.”

U houdt zich bezig met het boeddhisme en u woont zelf in een woongroep. Was u daardoor extra getriggerd door het nieuws over die Utrechtse woongroep?

“Ik kan me erin verplaatsen en het is iets wat me bezighoudt, religieuze groepen en de duistere kant daarvan. Ik haal er zelf veel uit, maar ik zie ook dynamieken die ik gevaarlijk vind. Doordat je een ideaal hebt, kan dat ook een excuus zijn om op een bepaalde manier met elkaar om te gaan of dingen te doen die ­normaal niet in je hoofd zouden opkomen. Overigens is de groep die ik beschrijf niet echt religieus, meer religieus-achtig.”

U heeft kunnen putten uit het materiaal op de website van de Utrechtse woongroep, die nog steeds in de lucht is.

“Ja, daar vertellen ze veel op, toch raar om dat allemaal te kunnen lezen. Voor mij was het fijn dat het er was, al was het wel de kunst om te selecteren. Ik heb vanaf mijn achttiende veel zelfhulpboeken gelezen, waaruit ik ook elementen gebruik. Nog steeds lees ik met enige regelmaat zelfhulpboeken. Ik kan er goed ­grapjes over maken, maar ik kan er soms ook echt wat aan hebben. Laatst kreeg ik bij wijze van grap – omdat ik altijd te hard werk – van een vriend het boekje Leef als een luiaard. Heel oppervlakkig, maar dan ga ik dat toch lezen. Het is een pleidooi om niet te ingewikkeld te doen. Je hoeft niet altijd uitgebreid te koken, lees ik dan, en dat inspireerde me om kant-en-klaarsoep te kopen. Maar in plaats van te ­luieren in de tijd die ik daarmee won, ging ik langer door met werken.” Lacht. “Dus heb ik nu ontdekt dat ik me juist lekker kan ontspannen door te koken.”

Wat trekt u zelf zo aan in het wonen in ­woongroepen?

“Ik ben nieuwsgierig naar mensen, ik vind het leuk om meer mensen te leren kennen. Ik heb net geluncht met twee huisgenoten, we hebben het gehad over biomassa en hoe mensen vroeger jagers en verzamelaars waren, dat laatste doordat een het boek van Rutger Bregman aan het lezen is. Ik vind het een verrijking om dat te hebben aan de keukentafel.”

Proza en poëzie

Gerda Blees (1985) won in 2016 de Nieuw Proza Prijs voor haar verhaal Zomerkroos en debuteerde het jaar daarop met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. In 2018 verscheen haar poëziedebuut Dwaallichten, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. 

Gerda Blees.Beeld Buffel
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden