Recensie

Laura Marling is het predicaat 'grote belofte' ruimschoots ontstegen (****)

Praten doet singer-songwriter Laura Marling weinig, het gaat om haar muziek. Ze vindt bij haar optreden in Paradiso een mooi balans tussen mooi de dromerige ingetogenheid van eerder werk en haar directere nummers.

Hans van Lissum
Laura Marling in Paradiso Beeld Maarten Brante
Laura Marling in ParadisoBeeld Maarten Brante

Met haar 25 geldt de Londense Laura Marling al als gevestigde singer-songwriter; iemand die het predicaat 'grote belofte' ruimschoots ontstegen is. Dat is bijzonder: niet al haar collega-muzikanten van die leeftijd kunnen zeggen dat ze vijf albums op hun naam hebben staan waar zo'n duidelijke groei in zit. Op haar achttiende debuteerde Marling met de uitgeklede folk van Alas, I cannot swim (2008), en met elk album klinkt ze onverminderd wijzer dan je van iemand van haar leeftijd zou verwachten.

Volgens velen maakte ze haar meesterwerk al vroeg, met het in 2013 verschenen I wish I was an eagle, een naakt en kwetsbaar werk waarop ze zichzelf een spiegel voorhoudt na een verbroken relatie en een verhuizing van Londen naar Los Angeles. Het pas verschenen Short movie documenteert vervolgens haar eenzame bestaan in die vreemde, grijze, onpersoonlijke stad. Maar sentimenteel of zeurderig wordt het bij Marling nergens: ze houdt altijd een prettig soort afstand, alsof ze een universeel verhaal vertelt in plaats van emotioneel incontinent te bedelen om aandacht voor haar eigen eenzaamheid en leed.

Het is weinig verrassend dat dat op het podium precies hetzelfde blijkt te zijn. Marling staat nonchalant en met een opvallend soort koelheid op het podium, simpel gekleed en getooid met een kort, blond Mia Farrowkapsel. Praten doet ze weinig: het gaat om haar muziek. Die laat ze meteen spreken in de wonderschone ketting van het eerste kwart van I wish I was an eagle, waar meerdere nummers aan elkaar worden geregen tot een landerige, bijna filmische suite, tegen een achtergrond van een woestijn waar de zon langzaam opkomt. Zo klinkt de muziek ook; als een moderne update van Joni Mitchells roadmovieplaat Hejira uit 1976.

Hoogtepunt
Die vergelijking dringt zich de rest van de avond vaker op. Marling perst haar gitaren standaard door een subtiel flanger-effect, dat net als bij dat album van inspiratiebron Mitchell zorgt voor een dromerig en cineastisch effect. Met haar band weet ze precies af te wisselen tussen de dromerige ingetogenheid van eerder werk en de directere nummers van Short movie, waardoor iedereen permanent aan haar lippen hangt. Als het dreinende
Breathe eindigt in bijna Sonic Youthachtige noise komt die aandacht tot een hoogtepunt.

How can I live is een ontwapenend relaas van hoe je een geliefde kunt missen als die duizenden kilometers verderop zit, evenals het sombere, betoverende What I wrote, dat bijna bezwijkt onder zijn Sibylle Baierachtige melancholie. Toch wordt het nergens topzwaar. Marling is een onderkoelde performer, maar doorbreekt die koelheid regelmatig met een charmante muzikale fout of een onhandig lachje waarin ze toegeeft niet zo van het ouwehoeren met het publiek te zijn. Dat neemt je al voor haar in, maar de manier waarop ze plaagstoten gitaarnoise afwisselt met uitgeklede complete oprechtheid nog veel meer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden