PlusInterview

Lammert Voos over zijn duistere, Groningse trilogie: ‘Hier ging je door de modder, hier was niets’

Lammert Voos (59) voltooide met de novelle Gannef de Groningse trilogie over zijn disfunctionele familie. Aardse, harde boeken zijn het, geschreven met de enkels in de modder. ‘Mishandeling, misbruik en alcoholisme, dat was alom aanwezig.’

De trilogie van Voos bevat autobiografische elementen: ‘Ik ben natuurlijk Zwarte Jan.’ Beeld Kees van de Veen
De trilogie van Voos bevat autobiografische elementen: ‘Ik ben natuurlijk Zwarte Jan.’Beeld Kees van de Veen

Op het station van Winsum wacht Lammert Voos. Een grote bebaarde man met een Stetson op zijn hoofd, in een T-shirt van The Ramones.

Hey Ho Let’s Go. In zijn kleine Toyota rijdt de schrijver de verslaggever het land in dat in zijn novellentrilogie zo’n grote rol speelt: noordwest Groningen.

Het zijn prachtige, aardse, met elkaar verbonden boeken die spelen in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het is koud en onaangenaam in die boeken, en dat voelt de lezer. Over arme, bonkige personages in een wereld die hen in de mangel neemt.

Over incest, uitzichtloosheid, alcoholmisbruik. Over hoe moeilijk het is uit de modder te kruipen op zoek naar een beter bestaan (deel één, Malterfoske), over een meelopende bastaardzoon die ‘per ongeluk’ aan het Oostfront belandt (deel twee, Canisius), over de vechtersbaas en pooier Zwarte Jan die maar geen beslissingen kan nemen (deel drie, Gannef).

“Nu ziet het er heel mooi uit, met dat zonnetje,” zegt Voos. “Maar kom hier maar eens in de winter, als de wind en de sneeuw over de akkers jagen. Daar moet je tegen kunnen.”

Tochtige krotten

Hij stelt een rondje voor langs een plek in een uithoek waar vroeger de kansarmen werden gedumpt in tochtige krotten, langs barakken waar na de oorlog collaborateurs werden opgesloten, langs een kerkhof waar naamlozen op een achterafveldje zonder kist in de bodem verdwenen.

Decors uit zijn werk. Plekken uit zijn leven, want Voos schrijft over zijn familie.

“Het is gek, maar ik ken elke plek hier, weet blindelings de weg, terwijl ik hier wel ben geboren, maar niet ben opgegroeid. Maar dit is mijn land, hier liggen de botten van mijn voorvaderen begraven, hier hoor ik thuis.”

We stoppen bij een afgelegen, mooie plek aan een kanaal langs ‘t Stort.

Voos, handen op de brugleuning: “Idyllisch. Veel te idyllisch. Hier stonden vroeger krotten, hier ging je door de modder, hier was niets. Dit was een pestbosje, hier werden de armen weggestopt. Dit was Malterfoske. Nu hebben de rijken hier de huizen gekocht. Hier vind je niets onder de vijf ton. Belachelijk. Ik heb een beetje wraak genomen door te schrijven dat ze hier straks nog wel babylijkjes zullen opgraven.”

En weer de auto in.

Zijn schrijven is kaal, zonder tierelantijnen, rauw, wat de verhalen nog aardser maakt.

“Ik heb ook niet zo’n grote woordenschat,” zegt hij. “Ik heb weinig opleiding gehad, heb het mezelf allemaal aangeleerd. Ik ben begonnen met het imiteren van Isaak Babel, schitterende verhalen zijn dat. Die schreef ook kaal, dus ik heb me aangeleerd om dingen zo kaal mogelijk te houden. Tot de kern komen, alle flauwekul eruit halen. Zo ben ik tot mijn eigen stijl gekomen.”

Gannef is het slotdeel van de duistere trilogie. “Maar in de volgende boeken zit ook niet veel lucht. Daarvoor ben ik ook in behandeling.” Hij zegt het op z’n Koot en Bie’s, en met een lach.

“Maar het is wel waar.”

Stilte.

“Het heeft met mijn jeugd te maken. Ik kom echt uit een disfunctionele familie, ondanks dat mijn ouders al op de grens zaten van een ander bestaan, want mijn vader werd ambtenaar in Sneek, waar ik oproeide. Mishandeling, misbruik en alcoholisme, dat was alom aanwezig in de familie. Mijn moeder is in dat pestbosje geboren.”

Op de vlucht voor de Russen

Hij stopt bij de plek waar nog steeds de barakken staan waar na de oorlog collaborateurs zaten opgesloten, vlak bij de Waddenzee. Waar Petrus Canisius zat opgesloten. Prachtig, bijna apocalyptisch (en met een vleugje Cormac McCarthy) beschrijft Voos hoe Canisius in Duitsland op de vlucht is voor de Russen. “Hij was een halfbroer van mijn moeder.”

Voos loopt de dijk op. Kijkt uit over het wad, zoals hij dat graag en vaak doet.

Hij is met de publicatie van Gannef boven komen drijven. Hij was te zien in het televisieprogramma Brommer op zee, er verschenen stukken in de krant, hij verkoopt.

“Ik weet de laatste tijd even niet wat me overkomt. Over een paar dagen komt er iemand van de Knack, dat Belgische blad. Ik krijg fanmail. Iemand die ik goed ken zei: ‘In ons leesclubje ben je hot.’ Die meneer van de Knack wilde bij de uitgever exclusiviteit voor België bedingen, dat zij de eersten waren die over me schreven. Mijn vrouw en ik moesten er om lachen. Die lui zijn gek!”

In de auto, op weg naar het kerkhof waar familieleden zonder grafsteen in de aarde liggen, zegt hij wat al in de lucht hing: “Ik ben natuurlijk Zwarte Jan. Nou ja, zijn karaktereigenschappen zijn die van mij. Ik ben behoorlijk driftig, en ik heb ook allemaal dingen gedaan waar ik nu niet trots meer op ben. Ja, ik heb iemand heel hard in zijn ballen getrapt, net als in Gannef, en ik vond het heerlijk om over de grenzen te gaan. Maar er was moreel besef, ik ben tot wroeging gekomen, ik kon beslissen om het anders te gaan doen. Ik ben niet meer zo. Ik drink ook al twaalf jaar niet meer.”

En hij stuurt de auto nog dieper zijn land in.

Gannef

Lammert Voos

Uitgeverij AFdH,

€22,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden