PlusTentoonstellingsrecensie

Kirchner en Nolde in het Stedelijk: niet meer dan een plaatje bij een praatje

Het Stedelijk brengt het expressionisme van Kirchner en Nolde ingebed in het verhaal over kolonialisme en machtsongelijkheid. Dat komt de kunstbeleving niet ten goede.

Edo Dijksterhuis
Op de expositie in het Stedelijk wordt het werk van Kirchner en Nolde letterlijk én figuurlijk overstemd.  Beeld ANP
Op de expositie in het Stedelijk wordt het werk van Kirchner en Nolde letterlijk én figuurlijk overstemd.Beeld ANP

Aan het begin van Kirchner en Nolde: Expressionisme. Kolonialisme staat een ­vitrine met twee schilderijen erin. De kijkkast komt van het Tropen­museum en ook de tekstbordjes ­hadden zo uit het ­assortiment van een volkenkundig museum ­kunnen komen. Namen van makers ontbreken en aanduidingen zijn globaal: ‘Brandenburg, Duitse Rijk / Kind en vogel, begin 20ste eeuw’.

Die vitrine zet meteen de toon voor de tentoonstelling. Het werk van Ernst Ludwig Kirchner en Emil Nolde, die ruim honderd jaar geleden hun stempel op de kunstgeschiedenis drukten door het expressionisme tot grote hoogte op te stuwen, wordt hier bekeken door de bril van het hedendaagse kolonialismedebat.

Dat is minder vergezocht dan het misschien klinkt. Kirchner en Nolde keken expliciet naar niet-westerse inspiratiebronnen. Ze bezochten circussen en variététheaters waar zwarte artiesten optraden. Kirchner ontving tussen 1909 en 1911 regelmatig drie zwarte modellen in zijn atelier en Nolde reisde zelfs naar Duits Papoea-Nieuw-Guinea. Beiden zagen de koloniale tentoonstellingen waar eind 19de eeuw overzeese onderdanen schaamteloos werden geëxposeerd. Ze putten inspiratie uit de etnografica die musea met vrachtladingen tegelijk uit Afrika, Azië en Zuid-Amerika haalden. Nolde had zelf een collectie van meer dan vierhonderd objecten, waarvan de Kameroense kruk die talloze keren terugkeert in zijn schilderijen, duidelijk een favoriet was.

Blikvernauwers

De Stedelijktentoonstelling bevat veel en heel goed werk, niet alleen van Nolde en Kirchner, maar ook van generatiegenoten als Max Pechstein en Erich Heckel. Maar die rijkdom komt niet tot zijn recht. De kunst moet concurreren met vitrines vol boeken, video’s met talking heads die non-stop de stilte doorbreken, niet-westerse objecten als theatermaskers uit Sri Lanka en een grafgift uit Peru, historische prenten en prints van oude foto’s die standaard ­groter zijn afgedrukt dan de schilderijen waar ze naast hangen. De kunst wordt letterlijk en ­figuurlijk overstemd.

En dan is er nog de tekst. Eindeloos veel. In het museum waar in de jaren 90 onder Rudi Fuchs ‘kunstwerken voor zichzelf moesten spreken’, is de bezoeker nu meer aan het lezen dan kijken.

Al die duiding is ook nog eens verpakt in de tentoonstellingsvormgeving van Afaina de Jong. Haar architectonische interventies in de recente Slavernij-tentoonstelling van het Rijksmuseum waren uitmuntend en zorgden voor extra belevingslagen. De doorgangen waarmee ze de zalen van het Stedelijk heeft verbonden zijn echter minder geslaagd. Ze werken niet als verrekijkers, maar als blikvernauwers. Op de wanden staat telkens één woord, tientallen keren herhaald: belong, show, perform.

Die van-dik-houtaanpak echoot de toon van de hele tentoonstelling. Die is ronduit dwingend. De blik van de kijker wordt sterk gestuurd en de boodschap erin geramd. Maar welke boodschap is dat eigenlijk? Begrijpen we de kunst van Nolde en Kirchner beter als we weten hoe de mensen heten die op hun doeken staan? Als we weten waar de kunstenaars hun motieven vandaan haalden? Als wordt onthuld hoe de werkelijkheid verschilde van hun – let wel: ­expressionistische en dus hoogst subjectieve – verbeelding? Wordt de kunst ook beter of slechter met die kennis?

Lelijke woorden

Die inbedding voegt weinig toe. Soms doet hij zelfs afbreuk. In de zaal die ingaat op Kirchners gebruik van kindermodellen, hangt de insinuatie van misbruik zwaar in de lucht. De portretten die Nolde in Papoea-Nieuw-Guinea maakte worden typologieën ­genoemd, terwijl we toch echt individuen zien. Met dit soort ‘Hineininterpretierung’ ontstaat een smoezelig sfeertje rond de kunstenaars en hun werk.

Directeur Rein Wolfs sprak bij de perspreview over ‘contextualisering’ en een ‘multiperspectivische aanpak’ en hij gaf toe: “Het zijn lelijke woorden, die niet lekker klinken en waar de museale sector nog onwennig mee is.” Het zal die onwennigheid zijn die hier heeft gezorgd voor een fatale fout in de dosering. De context overschaduwt de hoofdzaak. Niet de intentie van de makers, maar de agenda van de tentoonstellingsmakers is hier het beoordelingscriterium. Voor Kirchner en Nolde vormde exotica de inspiratiebron voor een nieuwe beeldtaal. In deze tentoonstelling is hun eigen werk aanleiding voor een politiek-ideologisch verhaal.

De kunst is hier een plaatje bij een praatje. De werken zijn gereduceerd tot historisch artefact, waarop een eenduidige betekenis is geplakt. De ambiguïteit en ruimte voor verbeelding die kunst kunst maakt, is hier uitgebannen.

Dat een klassiek kunsthistorische opstelling vandaag de dag weinig nieuws te brengen heeft en kunst niet in een vacuüm wordt gecreëerd, mogen we als algemeen geaccepteerd beschouwen. Goede kunst laat zich ook bij uitstek lenen voor nieuwe zienswijzen en interpretaties. Maar hier wordt ze buitenspel gezet. Wat het Stedelijk betreft is dit echter de koers voor de toekomst. Maar als dit de standaard wordt, markeert deze tentoonstelling het begin van het einde van het kunstmuseum.

Kirchner en Nolde: Expressionisme. Kolonialisme: t/m 5 december in Stedelijk Museum Amsterdam

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden