PlusAchtergrond

Kinderboekentekenaar: ‘Het gaat om wat je kunt, niet om wie je bent’

De Kinderboekenweek (30 september t/m 11 oktober) staat in het teken van geschiedenis. WG Kunst in Oud-West organiseert een expositie rond het thema. Dit jaar met de tekeningen van Thé Tjong-Khing (87).

Een tekening van Thé Tjong Khing rond het thema kolonialisme.Beeld Thé Tjong-Khing

‘Ik heb al alles verteld wat er over mij te vertellen is,’ mailt Nederlands oudste nog werkende illustrator als ik hem benader voor een afspraak. ‘Alle interviews met mij zijn inwisselbaar.’ Dus ik opper: wat als we het gesprek vanwege de Kinderboekenweek ophangen aan jaartallen?

Thé Tjong Khing: ‘Ik heb nul benul van wanneer iets is gebeurd.’ Om eraan toe te voegen: ‘Durf je het nog aan?’ Ik mail terug dat ik wel durf. Op een maandagochtend in augustus rijd ik naar zijn Haarlemse woning voor een trip down memory lane.

1933

“Mijn geboortejaar. Ik was het vijfde kind na vier zussen, een ‘peranakan’: onze Chinese familie leefde al generaties in Indonesië. Als gezin woonden we in bij mijn opa en oma in een groot vrijstaand huis. Thuis spraken we Nederlands, de taal van de machthebbers, maar ik leerde ook Maleis om met de bedienden te kunnen spreken. Toen in 1942 de Japanse bezetting begon, regelden mijn ouders Chinese les aan huis. Opportunistisch: de Nederlanders waren niet langer aan de macht, ineens waren we tóch Aziaten.”

1942-1945

“Van de bezetting herinner ik me weinig. Drie jaar lang was er geen school, maar dat was niet te vergelijken met de coronacrisis nu – als kind kon ik overal heen. Meestal zat ik thuis te tekenen. De huisraad van geïnterneerde Nederlanders werd aangeboden op straatveilingen, zo belandden Nederlandse kinderboeken bij ons thuis. De illustraties van Rie Cramer werden een inspiratiebron. Nee, we voelden geen gêne om die spullen te kopen, dat deed je gewoon.”

1956

“Mijn aankomst in Nederland. Ik had een tijdje aan de kunstacademie in Bandung gestudeerd, maar in Indonesië bestond geen illustratie­traditie en mijn vader vond dat tekenen niks. Hij was openlijk denigrerend, we hadden een slechte band. Als enige zoon maakte ik de verwachtingen niet waar. Met een studievisum belandde ik in Amsterdam. Mijn eerste kamer was in de Achillesstraat in de Stadionbuurt, een hok van 2,5 bij 3 meter. Ik vond het gek dat alle huizen aan elkaar vastzaten en dat bij mijn hospita het tapijt op tafel lag in plaats van op de grond. Waar ik erg aan moest wennen: dat de slager en de marktvrouw óók Nederlands waren. In Indonesië hadden Nederlanders uitsluitend hoge functies.”

1957

“Op de Amsterdamse Kunstnijverheidsschool kon ik als twintiger tussen de tieners niet aarden. Ik kwam terecht op de stripstudio van Marten Toonder. Toen de vreemdelingenpolitie op de stoep stond omdat ik met een studie­visum niet mocht werken, heeft Toonder een werkvisum geregeld. Dat ging heel gemakkelijk. Er waren destijds nog geen vluchtelingenstromen. Toonder beloofde financieel voor mij garant te staan en dat was dat. Niet lang daarna kreeg ik een Nederlands paspoort. Of ik me als Aziaat gediscrimineerd voelde? Op straat werd mijn accent weleens nagebauwd – ik sprak het Nederlands van tante Lien. Later, toen ik een snor droeg, ben ik ook eens uitgemaakt voor ‘Ambonese treinkaper’. Ik voelde me anders, maar niet buitengesloten.”

1964-1965

“Wat gebeurde er toen? O, werden mijn zoons geboren? Haha, ik zei toch dat ik geen benul heb van jaartallen. Tijdens hun kinderjaren maakte ik de overstap van striptekenaar naar kinderboekenillustrator. Het vaderschap heeft mijn werk nooit beïnvloed. Ik teken voor het kind dat ik zelf was. Als die een illustratie mooi vindt, is het meestal wel in orde.”

1969

“Via een wederzijdse vriendin ontmoette ik Mino, mijn tweede vrouw. Die eerste avond hebben we uren gepraat. Later zocht ze me opnieuw op omdat ze beter wilde leren tekenen. Als ze kwam, kookte ik koolsoep, het enige wat ik kon maken. Geen goede start, Mino hield niet van kool. Inmiddels wonen we vijftig jaar in dit huis en kookt Mino.”

1973

“Mijn doorbraak in het kinderboekenvak dank ik aan Miep Diekmann. Vanwege mijn naturalistische striptekeningen vroeg ze me voor haar tienerroman Total Loss, weetjewel. Als ik eerlijk ben sprak haar schrijfstijl me niet aan, het was té duidelijk wat ze bedoelde. Mijn eigen stijl was in die jaren felrealistisch. Kijk naar de kleding en haardracht van de personages, je ziet direct dat het de jaren zeventig zijn. Als ik die tekeningen nu terugzie vind ik er niks aan, er zit geen spanning in. Met Wiele wiele stap, ook van Miep, won ik vijf jaar later mijn eerste Gouden Penseel. Ik geloof niet dat die prijs me meer opdrachten heeft bezorgd, maar tijdens die uitreiking leerde ik Els Pelgrom kennen met wie ik later veel heb samengewerkt.”

1984

Kleine Sofie en Lange Wapper, mijn beroemdste boek met Els. We kregen er allebei goud voor, zij een griffel, ik een penseel. Dit najaar verschijnt een nieuwe editie, de tekeningen worden er opnieuw voor gelithografeerd. Dat was nodig. Ik maakte de illustraties destijds met pen en inkt en zette heel fijne arceerstreepjes. In de oorspronkelijke uitgave is daarvan veel verloren gegaan. Nu worden mijn tekeningen voor het eerst gepubliceerd zoals ik ze heb bedoeld.”

2004

“Die Gouden Penselen waren leuk, maar de belangrijkste prijzen die ik heb gewonnen, waren de Woutertje Pieterse Prijs en een Zilveren Penseel voor Waar is de taart? Dat boek kwam helemaal uit mezelf. Eigenlijk zou ik een tekst illustreren van Sylvia Vanden Heede, met wie ik de boeken over Vos en Haas maakte, maar daar kwam ik niet uit. Uiteindelijk heb ik zelf een verhaal verzonnen – verteld in beelden, zonder woorden. Het was mijn eerste eigen prentenboek. Of ik geen behoefte heb nog eens zo’n boek te maken? Jawel, jawel! In gedachten ben ik er voortdurend mee bezig. Alleen lukt het niet. Een goed verhaal bedenken is verschrikkelijk moeilijk.”

2016

“Op verzoek van Naturalis maakte ik Jake en de T.rex. Nu is het een van de titels die centraal staan in de tentoonstelling bij WG Kunst. Ik was verbaasd dat ze met het thema geschiedenis bij mij uitkwamen. De laatste twintig jaar zit mijn werk voornamelijk in de fantasie- en sprookjeshoek. Ik geloof dat ze opgelucht waren toen ze hier een paar boeken vonden die bij het onderwerp aansloten.”

Tekst gaat door onder foto

Jake en de T.rexBeeld Thé Tjong-Khing

2020

“Wie maakt dit jaar het Prentenboek voor de Kinderboekenweek? Mylo Freeman, een zwarte illustratrice? Die ken ik niet. Of er te weinig ­illustratoren van kleur zijn vind ik een gekke vraag. Daar gaat het toch niet om? Ze moeten je vragen om wat je kunt, niet om wie je bent. Ik geloof niet dat ik ooit voor een opdracht ben gevraagd vanwege mijn roots. Wel zeggen veel mensen dat ze mijn illustraties zo Indonesisch vinden. Waar zit dat in, denk ik dan. Voor mijn gevoel wortelt mijn werk in de westerse traditie.”

“Tekenen doe ik elke dag, wat dat betreft heeft corona mijn leven niet veranderd. Ik ben sneller moe dan vroeger en mijn hand is niet meer zo vast, maar mijn verbeelding werkt nog prima. Met de dood ben ik niet bezig. Dit klinkt vast raar, maar ik denk niet dat ik doodga. Tuurlijk, ik weet dat iedereen een keer aan de beurt is. Maar ik vind het zo’n vreemd idee, ik kan me niet voorstellen dat het mij overkomt.”

De sprookjesvertellerBeeld Thé Tjong-Khing
Kunst met taartBeeld Thé Tjong-Khing

En toen… Thé Tjong-Khing, WG Kunst, t/m 1/11

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden