PlusInterview

Kinderboekenschrijver Dolf Verroen: ‘Ik voel me niet sterfelijk’

Hij schrijft al 65 jaar, maar uitgeschreven is kinderboekenschrijver Dolf Verroen nog altijd niet. De verhalen blijven komen, zoals nu Ik ga weg. ‘Ik heb het mooiste beroep van de wereld.’

Van De verschrikkelijke schoolmeester van Dolf Verroen werden 80.000 exemplaren verkocht.  Beeld Jiri Buller/Lumen
Van De verschrikkelijke schoolmeester van Dolf Verroen werden 80.000 exemplaren verkocht.Beeld Jiri Buller/Lumen

Je bent nooit oud om ­lezen, staat op het tegeltje in de hal van het huis van Dolf Verroen in het Friese Sint Nicolaasga. Het is 19 november, de dag voor ­Verroens 92ste verjaardag. Met zijn blauwe coltrui, volle grijze haarbos en twinkelende ogen achter een modern brilletje zou je niet zeggen dat hij de oudste kinderboekenschrijver van Nederland is, maar dat is hij dus wel.

Lezen doet hij nog steeds veel en vaak. De krant aan het ontbijt met zijn man, Franse ­romans voor de leesclub, boeken die collega’s hem sturen. Hij mag dan de oudste in zijn vak zijn, niet met afstand. Jan Terlouw werd in ­dezelfde maand 89, Tonke Dragt 90. Het verschil: Terlouw en Dragt publiceerden hun laatste kinderboeken jaren geleden, Verroen schrijft nog steeds. Drie titels verschenen de ­afgelopen drie jaar, twee ervan werden bekroond met een Zilveren Griffel.

Of het zijn gouden jaren zijn? Opgewekt: “Welnee. Droomopa kreeg onlangs een vierde druk, daar verdien ik minder mee dan vroeger met één drukgang. Als het om cultuur gaat is de maatschappij verloederd, KLM is belangrijker.” Toch schrijft hij door. Omdat het zijn leven is. Zijn adem. Zijn alles. “Had ik niet geschreven dan was ik in de misdaad beland, een klein boefje geworden.”

Weinig fantasie

Dolf Verroen ontvangt in zijn tot werkkamer verbouwde garage. Hier schrijft hij, tussen muren bedekt met boekenkasten en schilderijen. Een specifieke lezer staat hem niet voor ogen. “Anna Blaman zei over haar schrijverschap: ik ben de enige lezer. Nou, dat weet ik niet hoor. Zo kijk ik er niet tegenaan.” Hoe dan wel? “Ik pruts maar wat rond.”

Zijn laatste ‘gepruts’ resulteerde in Ik ga weg, vijftig puberminiaturen, losjes geïnspireerd op De markiezin van Charlotte Mutsaers. “Dat boek bevat een groot aantal korte prozateksten. Een dag nadat ik het uit had schreef ik mijn eerste verhaal.”

Impressies zijn het eigenlijk, gedachten, ‘plotten’ is nooit zijn ding geweest. “Ik heb weinig fantasie, schrijf altijd vanuit mezelf. Bij mij gaat het over emoties, over de gevoelens van kinderen. Soms vrees ik wel dat mijn boeken een beetje saai voor hen zijn, dan hoop ik maar dat ze ­erdoor worden geraakt.”

In 1955 debuteerde hij met een dichtbundel voor volwassenen. Geen boek waar hij nu nog trots op is, maar het mooie van die tijd was dat je meteen als schrijver werd beschouwd. “Er waren er nog niet zoveel van ons, alle kranten schreven over je, Greshoff heeft me nog besproken. En mensen volgden je oeuvre. Nu is er niemand meer die mijn geschiedenis overziet.”

Verroen groeide op in Delft. Hij volgde een ­opleiding Frans die hij niet afmaakte. Vrienden probeerden hem het onderwijs in te praten (vaste baan, pensioen, veiligheid), maar de drang om te schrijven was sterker. Hij vertaalde uit het Frans (“Dat betaalde toen al slecht”), interviewde kunstenaars voor de Delftsche Courant en al snel volgden de boeken. Eerst voor volwassenen, tot hij op een nacht wakker lag en zich in zijn hoofd een zin vormde over de personages Sjoe en Piet.

Het zou zijn eerste kinderboek worden, het eerste Nederlandse boek voor kinderen over gastarbeiders bovendien. Uitgeverij Leopold, die eerder zijn volwassenenwerk had gepubliceerd, wilde het wel uitgeven, ook al hadden ze buiten Miep Diekmann geen kinderboeken­auteurs in hun fonds.

De gouden tijden, zegt Verroen, waren tóen. “Kranten hadden hun eigen kinderrubriek. Oplages begonnen bij drieduizend exemplaren, vijfduizend soms zelfs, daarna was het druk op druk. En er werd zoveel over kinderboeken geschreven… Als je kijkt hoe het nu is, vind ik dat bedroevend. Iedereen klaagt over een gebrek aan leesenthousiasme bij kinderen. De media mopperen dat ze niet meer kunnen lezen, maar niemand doet er wat aan.”

Compacte boeken

Na zijn overstap naar kinderboeken in 1960 bleef Verroen het genre trouw. Voor hem geen lange zinnen en dikke pillen, zoals tijdgenoten Thea Beckman en Paul Biegel schreven. In zijn streven naar helderheid schrapt hij elk overbodig woord. Zo ontstond een oeuvre van compacte boeken waarin volwassenen soms stevig de maat wordt genomen, maar ook het absurde ruim baan krijgt.

De verschrikkelijke schoolmeester, over een leraar die de meest gruwelijk straffen voor zijn leerlingen verzint, werd met 80.000 verkochte exemplaren zijn succesvolste boek. “Tijdens een schoolbezoek zei een jongetje eens: als je langere zinnen schrijft, wordt het een echt boek.” Hij grinnikt. Eenvoud is nu eenmaal zijn stijl, dat gaat hij op zijn 92ste niet meer veranderen.

De laatste jaren wortelen zijn boeken weer stevig in de realiteit. Afgelopen zomer ontstond een relletje rond Hoe mooi wit ik ben, een historisch verhaal waarin een witte plantagedochter een slaafje voor haar verjaardag krijgt. Verroen schreef het op zonder de slavernij te veroordelen en dat viel verkeerd bij een jonge lezer. Een storm van verontwaardiging stak op, ook schrijvers voor volwassenen die het boek niet hadden gelezen, spuwden hun venijn.

Verroen liet zich er niet door omverblazen. “De wereld is moralistischer geworden. Iedereen heeft meningen, daar mag je niet aan tornen. Een meisje schreef me: het is mijn cultuur, niet de jouwe, daar blijf je vanaf. Voor mijn gevoel heb ik dat juist gedaan. Ik schreef het boek vanuit een wit meisje, omdat ik me niet kan verplaatsen in een zwarte slaaf.”

De huidige roep om meer diversiteit in kinderboeken beschouwt hij dan ook niet als een ­opdracht aan hemzelf. “Ik schrijf niet over ­Mohammed of Ali, omdat ik die gewoon niet ken. Ze leven niet in het dorp waar ik woon. Ik wil ze niet in een verhaal stoppen puur om het kleurrijk te maken.”

Of hij dingen betreurt die tijdens zijn schrijversloopbaan zijn verdwenen? “Ik betreur dat er zoveel is bijgekomen. Te veel boeken die alleen spannend om de spanning zijn, of leuk maar niet geestig – boeken die eigenlijk niets bijdragen. En ja, er is ook veel verdwenen. Het potje voor Nederlandse schrijvers in het buitenland bestaat jammer genoeg niet meer. Zonder mijn reizen naar Suriname en Ghana had ik nooit over slavernij kunnen schrijven.”

Toch vindt hij de kinderboekenwereld nog steeds een fijne plek. Hij koestert de vriendschappen met zijn collega’s Rindert Kromhout, Ted van Lieshout, Koos Meinderts en Gideon Samson. “Ik mis onze etentjes die door corona grotendeels zijn weggevallen.”

En nee, de pandemie heeft hem niet bewuster gemaakt van zijn sterfelijkheid. “Ik ben mijn ­hele leven al bezig met de dood, dacht altijd dat ik jong zou sterven.” Opnieuw gegrinnik. “Eigenlijk voel ik me niet sterfelijk.”

Dus speelt hij een extra potje keezen met zijn man om de lockdowndagen door te komen en werkt aan zijn memoires – want uiteindelijk weet hij natuurlijk best dat het grootste deel van zijn leven achter hem ligt. “Op mijn leeftijd ­ontkom je er niet aan dat je buiten de dingen komt te staan. Toen ik nog scholen bezocht, dacht ik weleens: zo’n ouwe man, wat moeten die kinderen ermee. Fysiek voel ik me nog net als vroeger, maar morgen word ik 92. Ik kom uit een vervlogen tijd.”

Dolf Verroen, Ik ga weg. Leopold, €13,99, 104 blz. Beeld
Dolf Verroen, Ik ga weg. Leopold, €13,99, 104 blz.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden