PlusBoekrecensie

Joris Luyendijk maakt pijnlijk duidelijk: de elite, dat zijn de anderen

null Beeld Lotte Dijkstra
Beeld Lotte Dijkstra

In De zeven vinkjes analyseert Joris Luyendijk het type mens dat in Nederland en ver daarbuiten vaak de macht heeft: de mannen die ‘elke vorm van uitsluiting op basis van groepskenmerken’ bespaard blijft, maar zich nauwelijks bewust zijn van hun enorme privileges. De mannen zoals hij en ik, schrijft recensent Dries Muus.

Dries Muus

“Ik heb heel veel mee: ik ben gezond, relatief jong... ik ben wít, godzijdank... Geloof me, dat is een enórm voordeel. (...) Serieus, je mist echt iets als je niet wit bent.” Het zijn niet mijn woorden, maar – vrij vertaald – die van de Amerikaanse komiek Louis C.K. “En ik ben een mán! Hoeveel privileges kan één persoon hebben? Ik ben een witte man! Je kan me niet eens kwetsen!”

Niet mijn woorden, wel mijn situatie. En dan zijn we er nog niet. Naast wit en man ben ik ook hetero, en ik heb:

– vwo afgerond
– universiteit gedaan
– minstens één hoogopgeleide en/of welgestelde ouder (...) die mij de weg in het onderwijssysteem kon wijzen
– minstens één in Nederland geboren ouder of verzorger (...) die mij de cultuur van de meerderheid kon meegeven

Ik kan, anders gezegd, een vinkje zetten bij alle zeven privileges. Net als Joris Luyendijk, auteur van De zeven vinkjes. Hoe mannen zoals ik de baas spelen.

Doodgewone jongen

Met zijn nieuwe boek is Luyendijk (1971) naast schrijver, journalist en presentator, voortaan ook de bedenker van de zeven kenmerken hierboven, die het type mens weergeven dat in Nederland en ver daarbuiten vaak de macht heeft. De mannen wier levenspad al van jongs af aan richting maatschappelijk succes voert, zonder al te grote obstakels op de weg; mannen die ‘elke vorm van uitsluiting op basis van groepskenmerken bespaard (blijft)’, ‘en evenmin hoeven ze zich aan te passen’.

Er zijn een paar verschillen. In tegenstelling tot Luyendijk deed ik atheneum in plaats van gymnasium. Ik heb maar één hoogopgeleide ouder (hbo, ook dat nog – de horror), en ik groeide niet op in het Gooi, maar in een redelijk gemengde buurt in Utrecht. Het valt, zou je kunnen zeggen, dus allemaal best mee. Ik ben niet écht zoals Luyendijk en de rest, en al helemaal niet als de omroepbazen, durfkapitalisten en topmannen. Mijn vader zat niet bij Shell. Hij tankte er niet eens. Geen auto.

Joris Luyendijk toont in ‘De zeven vinkjes’ genadeloos aan hoe blind velen zijn voor hun enorme privileges. Beeld Merlijn Doomernik
Joris Luyendijk toont in ‘De zeven vinkjes’ genadeloos aan hoe blind velen zijn voor hun enorme privileges.Beeld Merlijn Doomernik

In dit soort pleidooien van volksheid volgen de gewone-jongen-bewijzen elkaar doorgaans snel op. Ík, geprivilegieerd? We hadden thuis niet eens een wijnkelder! Zelfs geen fatsoenlijk bootje! (In dit stadium klinkt de stem vaak al behoorlijk schriel, maar uiteraard nog altijd keurig ABN). Ík zat op voetbal, niet op hockey; ging gewoon naar een openbare basisschool, was geen lid van het corps. Ik ben weleens, geheel vrijwillig, in de Lidl geweest; ik heb geen familiekapitaal, geen aandelenpakket, en uiteraard geen Amsterdamse hypotheek (wie denken ze dat ik bén – Elon Musk?).

De kloof

Ziehier een deel van het probleem: de elite, dat zijn de anderen. Luyendijk noemt het ‘de nuance van de kleine verschillen’. Het is het typische verweer van een ‘zeven-vinkje’ die zichzelf voor buitenstaander houdt, omdat er in zijn bubbel altijd mannen zijn met nóg meer wind in de rug en gouden lepels in de mond.

Luyendijk laat overtuigend zien hoe breed de kloof is tussen de zeven-vinkjes en de minder geprivilegieerden, tussen de paar procent van de beroepsbevolking die alles mee heeft en de overgrote meerderheid daaromheen. Of beter gezegd daaronder (in de topposities zijn die verhoudingen natuurlijk precies omgekeerd: de paar procent heeft nog altijd zo’n driekwart van de bepalende functies in handen). En wat misschien nog wel belangrijker is: Luyendijk toont genadeloos aan hoe blind veel van de zeven-vinkjes zijn voor de kloof én voor onze enorme privileges.

Hij turft, analyseert, verzamelt feiten en tast af, stelt vragen en geeft antwoorden, nuanceert en generaliseert. Hij ontvouwt zijn conclusies aan de hand van persoonlijke ervaringen en confronterende gesprekken, onderbouwt ze met inzichten van sociologen en antropologen, en met openbaar bekende cijfers en gegevens die zelden zo uitputtend achter elkaar zijn gezet. In ieder geval niet in zo’n breed verband zijn geplaatst.

Fundamenteel ander land

Kalm uiteengezet, zonder prekerigheid en godzijdank ook zonder sociaalwetenschappelijk jargon, schetst hij stap voor stap een onthutsend beeld. Tenminste: onthutsend voor mannen als Luyendijk en ik. Voor een ‘vier-vinkje’ – pakweg een vrouw uit een gezin met een niet-westerse migratieachtergrond – is het beeld zonder enige twijfel sterk herkenbaar, maar niks nieuws.

Ook dát is een symptoom van luxe, suggereert De zeven vinkjes: dat dit voor ‘ons’ een beeld is, ‘een onderwerp’ of ‘beleidsdossier’ – dat je dus ook gapend opzij kunt schuiven, of op iemand anders’ bureau kunt leggen. Voor verreweg de meeste Nederlanders is het de dagelijkse realiteit, waar ze zich alleen met de grootste inspanning en een verbluffend incasserings- en doorzettingsvermogen aan kunnen ontworstelen.

Met andere woorden: het Nederland van de minder geprivilegieerden is een fundamenteel ander land dan dat van ons zeven-vinkjes.

Luyendijks betoog heeft iets explosiefs, maar de explosieven zijn heel geduldig en secuur samengesteld, uit relatief simpel verkrijgbare materialen. Daarin schuilt misschien de grootste kracht van dit boek. Zelfs voor zeven-vinkjes zullen veel van de afzonderlijke feiten en inzichten bekend zijn; de openbaring zit ’m in de hoeveelheid bewijs, en in de synthese. Het allesomvattende kader, dat even concreet als pijnlijk herkenbaar is.

Moedwillig blind

Luyendijks focus is tegelijk haarscherp en samenlevingsbreed. Hij beperkt zich niet tot een of twee vormen van kansenongelijkheid en cultuurverschil: De zeven vinkjes omvat, onder veel meer, racisme, seksisme, homofobie, klassendiscriminatie, en de grote en subtielere symptomen daarvan, de stuitende en de zogenaamd onschuldige.

Wie vóór De zeven vinkjes nog geloofde dat Nederland hartverwarmend egalitair is, kon je misschien nog beschuldigen van naïviteit, in plaats van kwade wil. Wie na het lezen nog gelooft dat we in een waanzinnig gaaf land leven, met gelijke kansen voor iedereen, is moedwillig blind of ronduit schofterig.

Dit treurigstemmende, soms woedend makende, maar regelmatig ook vermakelijke boek, verdient het om de aanzet te worden van een veel bewuster, inclusiever sociaal contract. En meer nog dan het boek en de auteur verdienen de miljoenen minder-dan-zeven-vinkjes het. Laat het een opdracht zijn voor ‘ons soort mensen’, en een omslagpunt voor hen.

null Beeld -
Beeld -

De zeven vinkjes. Hoe mannen zoals ik de baas spelen

Joris Luyendijk
Uitgeverij Pluim
€21,99, 200 blz.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden