PlusTen Slotte

John le Carré (1931-2020): spionage uit de eerste hand

Na de val van De Muur verbreedde hij de thematiek van zijn spionageromans naar machtsmachinaties van andere wereldmachten, corruptie van grote bedrijven en de groei van xenofobisme en fascisme in Europa en de Verenigde Staten. Zaterdag stierf de Britse schrijver John le Carré op 89-jarige leeftijd.

John le Carré in 2007. Beeld EPA
John le Carré in 2007.Beeld EPA

Waar hij aanvankelijk zijn betrokkenheid bij de Britse inlichtingendienst nog botweg had ontkend en later slechts mondjesmaat had toegegeven, was er met de publicatie van de biografie van Adam Sisman uit 2015 over John le Carré, geen ­houden meer aan: de meester van de spionage­roman was zelf in de jaren vijftig en zestig spion voor inlichtingendiensten MI5 en MI6. De biografie was geautoriseerd, twee jaar later ging Le Carré daar met de autobiografische verhalenbundel The Pigeon Tunnel nog eens overheen.

Bijna zestig jaar lang beklom Le Carré, pseudoniem van David John Moore Cornwell (1931, Poole, Dorset), de bestsellerlijsten met spionage­romans als Tinker Tailor Soldier Spy (1974). Smiley’s people (1979), The ­Little Drummer Girl (1983), The Constant Gardener (2001) en Our kind of Traitor (2010) – ze vonden allemaal hun weg naar het witte doek.

Zaterdag overleed de Britse schrijver op 89-jarige leeftijd aan de gevolgen van een longontsteking. Hij laat zijn vrouw Jane en vier volwassen zoons achter.

Het merendeel van zijn boeken speelt tijdens de Koude Oorlog en zet Britse geheim agenten neer als weinig heroïsche politieke pionnen die zich bewust zijn van de tweeslachtige moraal van hun werk.

Antimedicijn voor Bond

Le Carré benadrukte in zijn werk de faalbaarheid van de westerse democratie en de diensten die haar moeten beschermen. Terugkerende ‘held’ is George Smiley, met een hoofdrol in vijf romans en een bijrol in vier andere – voor Le Carré het ‘antimedicijn’ tegen actieheld James Bond met zijn gadgets die hij eerder een ‘internationale gangster’ dan een spion vond en die wat hem betreft met zijn geestelijk vader Ian Fleming uit de canon van spionageliteratuur moest worden geschrapt.

Le Carrés boeken waren realistischer, kritisch dus ook (er waren oud-collega’s die zich in zijn werk herkenden en zich geschoffeerd voelden) en vaak dicht bij huis. Zoals A Perfect Spy (1986) over het geestelijk en moreel verval van een dubbelspion, een roman die als zijn meest auto­biografische wordt gezien; zijn geheim agent Magnus Pym gaat erin gebukt onder een ongelukkige jeugd met een oplichter als vader, zoals de auteur zelf, wiens moeder was weggelopen toen hij vijf jaar oud was.

Activistische standpunten

Le Carrés carrière bij de geheime dienst kwam in 1964 tot een einde toen zijn status als MI6-medewerker werd verraden door de Britse dubbelspion Kim Philby. Daarna koos Le Carré definitief voor het schrijverschap en publiceerde 25 thrillers en spionageromans. Zijn laatste, Agent Running in the Field verscheen in het najaar van 2019 en had een vileine brexitsetting; zoals hij na de val van de Muur steeds meer was gaan ­schrijven over actuele geopolitieke thematiek waarbij hij een activistisch standpunt innam.

In een interview met Chris ­Kijne voor het VPRO-programma Tegenlicht zei hij daarover in 2017: “Wanneer wij onze exploitatie van armere landen niet gepaard laten gaan met meer mededogen, met het werkelijk versterken van de demo­cratie en met een notie van eerlijk delen, dan zie ik geen enkel verschil tussen globalisering en kolonialisme.”

Al werd hij alom geprezen om zijn complexe plots, rijke verhaallijnen en de rake karaktertekening van zijn personages, Le Carré voelde zich nooit volledig erkend in literaire kringen met hun doorgaans zo stiefmoederlijke behandeling van het thriller- en spionagegenre. Toen hij in 2011 werd genomineerd voor de oeuvreprijs van de Man Booker Prize, de meest prestigieuze Britse literaire prijs, liet hij zich stante pede van de shortlist halen: ‘I do not compete for literary prizes,’ liet hij de jury weten.

Prijzen

Niettemin noemde zijn agent Jonny Geller hem gisteren in een verklaring de ‘onbetwiste reus van de Engelse literatuur.’ “Hij zette de toon voor het tijdperk van de Koude Oorlog en sprak onbevreesd de waarheid over de macht in de decennia die volgden.”

Diezelfde onbevreesdheid leverde John le Carré begin dit jaar de Olof Palme-vredesprijs op, waarvan hij het prijzengeld – zo’n 90.000 euro – doneerde aan Artsen zonder Grenzen. De onderscheiding, vernoemd naar de in 1986 vermoorde Zweedse premier Olof Palme, wordt uitgereikt aan mensen die een bijzondere bijdrage hebben geleverd in de strijd tegen racisme of die opkwamen voor mensenrechten, vrede en internationale veiligheid. De organisatie roemde Le Carrés ‘geëngageerde en humanistische opinievorming’ ten aanzien van ‘de vrijheid van het individu en de fundamentele kwesties van de mensheid’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden