PlusBoekrecensie

Jeroen Brouwers is nog altijd kristalhelder en vlijmscherp

Jeroen Brouwers nadert de tachtig. Zijn nieuwe roman, Cliënt E. Busken, zou dan ook zomaar zijn laatste kunnen zijn. 

Jeroen Brouwers, olieverfschilderij van Emo Verkerk uit 2018. Te zien in kunstgalerie Willem Baars Projects. Beeld Emo Verkerk

Hij was paleogeneticus, geschoold latinist, robotingenieur, emeritus hoogleraar cybernetica, projectontwikkelaar, industrieel ingenieur, cryptozoöloog – even ademhalen – informatietechnologicus, zeer gewaardeerd docent aan twee hogescholen voor creatief schrijven, dartskampioen en bekroond tangodanser. Hij is gepromoveerd in drie wetenschapsgebieden, schreef zijn eerste dissertatie in het Latijn, heeft een even omvangrijk als veelzijdig oeuvre op zijn naam, ‘opgemerkt tot in de kringen van het Nobelprijscomité,’ werd omschreven als ‘de heropstanding van Goethe’, en Harry Mulisch nodigde hem uit om lid te worden van zijn Herenclub. Allemaal echt gebeurd, benadrukt hij. O ja, en bijen, die zijn blauw.

E. Busken, aangenaam. Bovenstaande biografie is een bescheiden selectie uit zijn verdiensten. Een leven vol lofprijzingen en overwinningen, waar de bejaarde titelheld vanuit de eerste persoon, vastgegespt in een rolstoel, op terugkijkt. Of nee, dat is te vredig – de herinneringen vlammen in hem op: ‘Gewarrel en gedwarrel in mijn hersenpan. Daar wankelt van alles en kantelt om.’

Kristalhelder en vlijmscherp

Het is een prima samenvatting van Cliënt E. Busken, de nieuwste, misschien wel laatste roman van Jeroen Brouwers (1940), die zelf de tachtig nadert en zijn werkkamer te vaak moet verruilen voor het ziekenhuis. Maar Brouwers’ eigen geest is nog altijd kristalhelder en vlijmscherp, laat Cliënt E. Busken zien.

Vlijmscherp, dat kan Busken alleen nog in gedachten zijn. Veel meer dan dat heeft hij niet: hij hoort zijn omgeving wel, kan ook nog enigszins zien (al kleurt alles regelmatig blauw), maar hij weigert (of is niet in staat om?) te spreken.

Zelfstandig bewegen of zelfs naar de wc gaan zit er niet meer in. Wákker blijven is al lastig genoeg: de hele roman door zakt Busken weg en vlamt hij weer kortstondig op, schakelt zijn bewustzijn opeens in en begeeft het het weer, compleet buiten zijn eigen wil om.

Die wil wordt alleen maar sterker naarmate Busken zelf machtelozer wordt. Hij is overgeleverd aan de directie, het verplegend personeel en de minstens net zo sterk gehate medebewoners van ouderenverzorgingscentrum/psychiatrische instelling de Madeleine. De naar eigen zeggen ‘hooggeboren zeergeleerde heer E. Busken Esq.’ wordt door een vertederde bewoonster aangesproken met variaties op ‘Buskepieps’ en ‘Buskebozemans’, terwijl ze zijn rolstoel voortduwt en hem zijn laatste sigaretten – zijn laatste troost – ontfutselt.

Drie puntjes

Geen wonder dat hij boos is. Geen wonder dat hij zich allerlei prestaties in zijn hoofd haalt, ook: via flarden komen we te weten dat Busken is grootgebracht door een heks van een moeder, die hem vanaf zijn vroegste jeugd heeft ingeprent dat hij niks voorstelt.

Het knappe is dat we Buskens troebele verleden uiteindelijk toch vrij helder voor ogen krijgen – terwijl we zijn overkokende hersenpan nooit verlaten. We maken hem gedurende een dag mee, niet dat er duidelijke tijdsaanduidingen worden gegeven.

De roman begint met drie puntjes, middenin een plotseling oplaaiende gedachte. De hoofdstukken eindigen simpelweg als Busken het weer eens begeeft, en beginnen als er weer eens iets in hem ontwaakt. Zijn verstoorde denkritme is ons leesritme, we zien de wereld door zijn ogen, maar door het contrast tussen Buskens woedende, zelfverheerlijkende toon en zijn werkelijke situatie kunnen we zijn leven óók van bovenaf bekijken.

En dankzij de perfect gedoseerde vlagen informatie en de soms opeens heldere observaties kunnen we vrij goed inschatten welke van Buskens waarnemingen en terugblikken onzinnig zijn (grofweg: de meest glansrijke wel, de meest pijnlijke niet).

Afwezigheid van plot

Het leidt tot een fascinerende, vaak komische roman, die qua eloquent gekanker in de eerste plaats aan Brouwers’ eerdere werk doet denken, en in de tweede aan dat van bijvoorbeeld Dimitri Verhulst. Qua vorm – een lange stream of consciousness, of beter gezegd, een wild rondslingerende gedachtencarrousel, ‘taalcarnaval’, zou Busken zelf zeggen – doet Cliënt E. Busken denken aan Joyce.

Brouwers heeft duidelijk geen plotroman willen schrijven, maar een eenpersoonsvertelling waarin de drijvende kracht uitgaat van de woedende, verwarde toon. Die afwezigheid van plot of suspense is het enige wat mist aan Cliënt E. Busken – maar dat is dan wel meteen een cruciaal, misschien onmisbaar onderdeel van welke roman dan ook.

Je kunt zeggen dat Brouwers te veel vraagt van zijn lezers. Aan de andere kant: hij geeft ze de ene explosieve, schitterende zin na de ander terug, en is met zijn laatste roman hoe dan ook glansrijk in zijn opzet geslaagd.

Atlas Contact, €21,99, 264 blz.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden