Review

Jazz: Freddie Hubbard - Without a song; live in Europe 1969****

Freddie Hubbard in 2001. Foto EPA

Vorig jaar december overleed trompettist Freddie Hubbard op zeventigjarige leeftijd in een ziekenhuis in Californië. Hij lag al een maand in coma, nadat hij was getroffen door een hartaanval.

Van de krachtpatser die hij ooit was, was niets meer over. Al lang niet meer. Na zijn veertigste liet Hubbard vaak de indruk achter van een uitgerangeerde, leeggelopen bodybuilder, die elke keer weer moedeloos wordt als hij zichzelf in de spiegel ziet.

In zijn hoogtijdagen was Hubbard de man met de sterkste lippen van het westelijk halfrond. Geen domme kracht. Hij wilde zijn trompet zo vet en rondborstig als een saxofoon laten klinken met razende glissando's en grote sprongen van hoge naar lage tonen. En dat lukte.

Hij had een verbluffende techniek. Zijn vingers bewogen net zo snel en makkelijk over de ventielen van zijn trompet als de vingers van een topsecretaresse over een toetsenbord. En dat zonder eentonig te worden. Hij vond in zijn improvisaties spannende ritmische verschuivingen uit, scheerde langs onverwachte dissonanten, produceerde klanken waar geen einde aan leek te komen of juist van een nanoseconde en legde een dynamiek aan de dag van orkaansterkte tot windstil.

Geen wonder dat, toen hij een beetje naam begon te maken, iedereen met hem wilde werken. De naam Freddie Hubbard staat op meer dan driehonderd platenhoezen. Zijn spel is te horen op Out to Lunch (1964) van Eric Dolphy, Olé Coltrane en Africa brass (beide 1961) en Ascension (1965) van John Coltrane, Free Jazz (1960) van Ornette Coleman, Speak no evil (1964) van Wayne Shorter, Maiden Voyage (1965) van Herbie Hancock en The blues and the abstract truth (1961) van Oliver Nelson.

Dat zijn stuk voor stuk sleutelwerken uit de roerige jaren zestig, waarin jazzmuzikanten met zevenmijlslaarzen de muzikale horizon verruimden. Toch was Hubbards substantiële bijdrage aan de ontwikkeling van bijvoorbeeld de freejazz en de fusion niet essentieel. Zonder zijn aanwezigheid hadden al die sleutelplaten veel minder energiek geklonken, maar de bakens waren evenzogoed verzet.

Hubbard bewoog zich gemakkelijk temidden van experimenterende musici, die met vrije akkoordenschema's en afwijkende maatsoorten, of zelfs helemaal zonder een structuur werkten. Maar Hubbards liefde voor de bestaande, heldere, gloedvolle bop van Dizzy Gillespie en de vroege Miles Davis was groter dan zijn vernieuwingsdrang.

Hij verkoos een vaste aanstelling bij de reeds gevestigde en populaire Jazz Messengers van Art Blakey boven het louter avontuurlijke leven in voorhoede van de avantgarde.

Hubbard koos in zijn leven vaak voor de veiligste weg. Geen van zijn eigen platen heeft voor grote aardverschuivingen gezorgd. Zijn discografie onder eigen naam kent hoge pieken, met de bevlogen albums Open Sesame (1960), Ready for Freddie (1961), Breaking Point (1964) en Red clay (1970) maar ook diepe dalen met gelikte fusion-, pop- en discoplaten, die hij uit zuiver commercieel oogmerk maakte.

Hubbard stak nooit onder stoelen of banken dat hij het leven van een popartiest wilde leiden met een dikke auto onder zijn kont en een groot huis met zwembad. Nadat hij flink veel geld had verdiend onder contract van platenmaatschappij Columbia, is die droom in vervulling gegaan. Hij kocht een villa in Beverley Hills, Californië, en stortte zich in de rockscene, waar hij vaker een fles Jack Daniels dan zijn trompet aan de mond zette.

Als hij al optrad, en dat hoor je ook terug op zijn platen, klonk zijn spel als zuiver spierballenvertoon, leeg en ongeïnspireerd. Hij kwam regelmatig helemaal niet opdagen bij een concert.

Begin jaren negentig liep het helemaal mis met Hubbard. Hij weigerde zich zoals altijd warm te spelen voordat hij het podium opging en speelde zijn lippen uiteindelijk aan flarden tijdens een optreden in de New Yorkse Blue Note. Hij moest worden geopereerd aan een gezwel op zijn lip en zou voor de rest van zijn leven geen lange tonen meer kunnen aanhouden. Hij maakte begin 2000 nog een korte comeback, maar Hubbard was uitgeblust. In interviews toonde hij zich vol berouw over zijn al te wilde jaren.

Blue Note komt nu met het album Without a song op de proppen met werk uit Hubbards hoogtijdagen. Hierop staat een selectie uit opnames van concerten, die de trompettist in 1969 gaf op een tournee door Europa. Tot zijn bandleden behoorden toen drummer Louis Hayes, met wie Hubbard bijna dagelijks speelde omdat hij in hetzelfde appartement woonde, en pianist Roland Hanna en bassist Ron Carter.

De band speelde elke avond een aantal van Hubbards eigen nummers, een ballad als The things we did last summer en een handvol standards, waaronder Gillespies A night in Tunesia.

Hubbard verkeerde ten tijde van deze opname nog in topconditie. Hij klinkt als een bonk van gecontroleerde energie, fantasierijk, ongepolijst en bij vlagen nauwelijks bij te houden zo virtuoos. Absoluut hoogtepunt is Body and soul, de enige opname die al eerder op een album (Jazz wave, 1970) verscheen. Hubbard geeft zichzelf tot de laatste snik. Telkens als de climax van de zorgvuldig opgebouwde spanningsboog lijkt bereikt te zijn, heeft hij een tree hoger nog meer in petto. (MAARTJE DEN BREEJEN) (Blue Note)

Website Freddie Hubbard
www.myspace.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden