PlusAlbumrecensie

Jan Lisiecki zingt met zijn vingers op het klavier

null Beeld

In de eerste helft van de 19de eeuw, toen in Europa in alle huizen van de opkomende en snel groeiende middenklasse een piano kwam te staan, ontbraken de werken van Frédéric Chopin zelden op de lessenaars. Die ontwikkeling had er in afzienbare tijd voor gezorgd dat de componist zich zonder al te veel financiële zorgen door het leven kon begeven. Dat was nogal een stap vanaf het moment dat hij berooid in 1831 voor het eerst naar Parijs kwam. Daar wist hij niet wat hij meemaakte. Parijs leek in niets op de steden en dorpen die hij kende. Zelfs Berlijn en Wenen waren klein bier vergeleken bij de lichtstad, die toen bruiste als geen plek ter wereld.

In Parijs maakte hij kennis met Franz Liszt en Hector Berlioz, allen jonge twintigers, met wie hij samen at, dronk en discussieerde. Ze waren het over bijna alles oneens. Voor Chopin waren Bach en Mozart je van het, terwijl Berlioz niets van Bach moest hebben en hij en Liszt veel meer zagen in Beethoven, die een paar jaar eerder was overleden. Chopin vond vrijwel alles aan Beethoven te groot. “Zijn hartstocht klonk te vaak alsof er een natuurramp plaatsvond,” zei hij ooit tegen zijn vriend, de cellist Auguste Franchomme.

Varianten van langzaam

Natuurrampen voltrekken zich inderdaad niet in het werk van Chopin. En al helemaal niet in de Nocturnes, de nachtstukken die hij tot tegen het einde van zijn leven in 1849 zou schrijven. Hij zou er 21 componeren, verdeeld over setjes van drie en later twee, van opus 9 (1832) tot en met opus 62 (1846), gevolgd door drie nocturnes die na zijn dood zouden worden uitgegeven.

Alle stukken zijn, afhankelijk van de dienstdoende pianist, tamelijk kort en allemaal voorzien van een tempoaanduiding, die varianten zijn van langzaam – larghetto, andante, allegretto, lento, andante sostenuto, lento sostenuto, lento con gran espressione.

Het lento van Jan is nooit het lento van Piet en daarvoor rijden we niet woedend op tractoren naar het Malieveld. Nee, we omhelzen de artistieke vrijheid van de pianist en de gedachte dat waarheid in muziek een problematisch begrip is.

Jan is in dit geval de Pools-Canadese virtuoos Jan Lisiecki, een van de grote pianisten van deze tijd. Piet is (bijvoorbeeld) Maurizio Pollini, die in vier minuten doet waar Lisiecki zes minuten de tijd voor neemt.

Losheid in de voordracht

Alles is vanzelfsprekend een kwestie van smaak, waarbij nadrukkelijk zij aangetekend dat je smaak kunt ontwikkelen, maar een wat breder genomen tempo klinkt in deze Nocturnes, een genre dat Chopin overigens ontleende aan zijn jeugdheld John Field, de Ierse pianist en componist, toch logischer.

Wat Lisiecki ook heel goed doet, is door een losheid in de voordracht de suggestie wekken van improvisatie, indachtig de legendarische kwaliteiten van Chopin op dat vlak. Ook Chopins uitspraak dat ‘men moet zingen met de vingers’ is bij Lisiecki niet tegen dovemansoren gezegd. Het mooist laat hij dat horen in de 2 Nocturnes op. 55, waarin het belcanto door elke maat heen schemert, met buitengewoon vervoerend resultaat.

Klassiek

Frédéric Chopin – Complete nocturnes
Jan Lisiecki
(Deutsche Grammophon)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden