PlusBoekrecensie

Jan Eijkelboom: wat hij ook deed of schreef, Nederlands-Indië zat onder zijn huid

Jan Eijkelboom in 1980. Beeld Spaarnestad Photo / ANP
Jan Eijkelboom in 1980.Beeld Spaarnestad Photo / ANP

Het leven van Jan Eijkelboom (1926-2008) was getekend door de korte periode die hij in Nederlands-Indië doorbracht. Kees van ’t Hoff publiceert nu de biografie van ­Eijkelboom, die vooral bekend werd als dichter en journalist. Hij meldde zich kort na de Tweede Wereldoorlog aan als vrijwilliger voor het Nederlandse leger en kreeg daartoe een opleiding in Schotland. In 1947 werd hij uitgezonden naar Nederlands-Indië. Hij had geen idee hoe het er in de kolonie aan toe ging. Tijdens zijn opleiding had hij alleen maar gehoord dat er een kleine groep opstandelingen was waartegen het Nederlandse leger de inheemse bevolking moest beschermen.

Kort nadat Eijkelboom in juli 1947 op Java aankwam begon de eerste ‘politionele actie’. De eerste legerorder schreef voor dat ‘de troepen niet oprukten om oorlog te brengen maar om vrede te hergeven’. Ondanks dit eufemistisch taalgebruik werd een harde oorlog gevoerd. Eijkelboom wist niet wat hem overkwam.

Al in de eerste weken sneuvelden drie man van het peloton waar hij leiding aan gaf, twee raakten zwaargewond. Hij zag hoe een Molukse korporaal van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (Knil) een boer in één beweging het hoofd afhakte, ‘omdat de ondervraagde onbeleefd was geweest’.

’s Avonds schreef hij gedichten of bezocht hij Soemiati, een meisje uit het dorp waar hij gelegerd was. Soemiati gaf hem gedichten op kleine papiertjes. Zelfgeschreven, beweerde ze, maar Eijkelboom vond ze terug in een boekje over Indonesische volkspoëzie. Hij droeg ze zestig jaar later nog altijd bij zich.

Schrijfambitie

Terug in Nederland, bij zijn ouders in Dordrecht, was hij angstig, en schreeuwde in zijn slaap. Hij leed hij aan wat later een postraumatisch stresssyndroom zou worden genoemd. Eijkelboom verhuisde naar Amsterdam om Engels te studeren. Hij leerde Hans Gomperts kennen, redacteur van Het Parool en van het literaire tijdschrift Libertinage. Via Gomperts debuteerde Eijkelboom met een gedicht, geschreven in het Engels.

Zijn schrijfambitie kreeg vleugels toen hij zijn studie Engels verruilde voor politieke wetenschappen. Daar ontmoette hij de later bekend geworden socioloog Joop Goudsbloem. Zij becommentarieerden elkaars gedichten en gingen naar de kroeg. Er ontstond een vriendenclub, met onder andere Pierre Vinken en Theo Sontrop. Dit inspirerende groepje hooghartige maar getalenteerde studenten publiceerde ­studentenblad Propria Cures. Een paar jaar later werden ze door uitgever Geert van Oorschot gevraagd de redactie te vormen van literair tijdschrift Tirade. Maar er moest ook geld verdiend worden, dus nam Eijkelboom een baan aan als redacteur bij Vrij Nederland.

Ondertussen trouwde hij met Anje Dik. Maar evengoed kreeg Eijkelboom verhoudingen met andere vrouwen, onder wie Fritzi ten Harmsen van der Beek, hij dronk teveel en vrienden beschouwden hem als een ‘getraumatiseerde Indiëganger’.

Vietnam

Voor de buitenwacht was hij een succesvol journalist. Toch nam hij in 1965 ontslag bij Vrij Nederland. Hij deed wat losse klussen in de kunstwereld en schreef een televisierubriek voor Het Parool, die overigens ophield omdat de hoofdredacteur in een stukje van Eijkelboom had zitten krassen waarin hij het Amerikaans ingrijpen in Vietnam hekelde.

Eijkelboom ging terug naar Dordrecht, kreeg er een baan als gemeentevoorlichter. Maar na een jaar of vier begon de journalistiek toch weer te lonken, en via een kort dienstverband bij Het Vrije Volk in Rotterdam, werd hij hoofdredacteur van De Dordtenaar. Vervolgens ging hij weer terug naar Het Vrije Volk.

In 1975 ging het mis. Hij volgde voor de krant de Molukse treinkaping in Wijster. De wreed­heden die hij de Molukkers had zien begaan op Java spookten door zijn hoofd, hij stortte in en kwam onder behandeling bij het Instituut voor Medische Psychologie. Van ’t Hof schrijft het allemaal liefdevol en begrijpend op, maar heel diep weet hij niet door te dringen in de persoonlijkheid van Eijkelboom. Het boek heeft eerder de trekken van een kroniek waarin zijn leven naverteld wordt dan van een biografie. We missen een strenge regisserende hand.

Bekende Nederlander

In 1979 verscheen bij De Arbeiderspers zijn eerste dichtbundel Wat blijft komt nooit terug. Dankzij lovende kritieken werd hij op slag een bekende Nederlander. Hij gooide zijn oude leven overboord, zijn huwelijk incluis en werd fulltime dichter. Met alles wat daarbij hoorde.

Zijn drankprobleem werd erger. Relaties liepen stuk, totdat hij iets kreeg met de 21-jarige Marion Stroober. Met haar kreeg hij, vader van twee oudere kinderen, nog een kind. Toen deze relatie stukgelopen was, diende een nieuwe liefde zich aan. Met Roelien de Melker, met wie hij nog eens drie kinderen kreeg. Eijkelboom kwam tot rust en bleef de laatste twintig jaar van zijn leven bij haar en de kinderen.

Maar wat hij ook deed of schreef, zijn ervaringen in Nederlands-Indië zaten onder zijn huid, zoals al bleek uit een van zijn mooiste novellen, De terugtocht, uit 1953. Die gaat over Soemiati op wie hij zijn schuldgevoelens projecteerde: ‘Ik groette haar en verdween haastig, zonder om te kijken.’ Toen keek hij niet om, maar zijn oeuvre is één worsteling met zijn traumatische verleden.

Nooit het hele hart – J. Eijkelboom, een biografie

Kees van ’t Hof
Meulenhoff, €34,99
345 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden