Jan Cremer.

PlusInterview

Jan Cremer: ‘De zee is mijn ideale nooduitgang’

Jan Cremer.Beeld Sacha de Boer

In de jaren zestig verbleef Jan Cremer twee jaar op Ibiza. Het leidde tot het boek Barbaar op Ibiza, een luxe uitgave die volgende week wordt gepresenteerd. En in Museum JAN in Amstelveen is de expositie Cremer – Noordwaarts 2010-2020 heropend.

In zekere zin had het wel wat. De aanblik van lege museumzalen met aan de muren zijn zeegezichten kwam bij Jan Cremer ‘best hard binnen’. “Alsof er verder niets meer was. Die schilderijen, Babette, onze zoon Ivan, enkele genodigden, ik. En die schilderijen. Onontkoombaar.”

Op de expositie Cremer – Noordwaarts 2010-2020 in Museum JAN in Amstelveen is een ruime selectie te zien van zijn zeegezichten. De opening in maart zou een feestelijke bijeenkomst worden, compleet met gasten ‘uit alle hoeken van de wereld’. Totdat het coronavirus op het laatste moment de wereld stilzette. “Ik werd dagenlang gebeld door buitenlandse vrienden,” zegt Cremer. “Die waren voor niets naar Amsterdam gereisd en liepen met hun ziel onder de arm door de stad. Ze wilden terug naar huis.”

Cremer ging op de openingsdag toch even kijken – en in het museum volgde de confrontatie met zijn werk. “Ik sta nooit ergens bij stil. Het is altijd: door, door en door. Nu kon dat niet. Die zeegezichten… Ik stond daar midden in mijn eigen leven.”

Dag en nacht aan het werk

Inmiddels is de expositie weer geopend en het circus rondom Cremer draait weer op volle toeren: de schrijver werd 20 april 80 jaar (‘het grote feest is even uitgesteld’) en uitgeverij De Bezige Bij presenteert op 3 juli een rijk geïllustreerd boek in een cassette: Barbaar op Ibiza, over Cremers tweejarig verblijf op het Spaanse eiland, tussen 1961 en 1963. “Ik vind het mooi die tachtigjarige leeftijd alsnog te vieren, al heb ik er verder weinig mee. Ik voel me net zoals twintig of dertig jaar geleden. Iets strammer, misschien. Maar ik werk nog elke dag en niets in mij zegt dat ik daar verandering in moet brengen.”

Zijn werkdrift resulteerde de laatste jaren in een reeks nieuwe romans – Cremer begon de serie Odyssee, boeken over jeugdherinneringen en verloren liefdes – en in de zomermaanden zit hij in Italië om te schilderen. “De boeken en de schilderijen wisselen elkaar af: ik schrijf nu in de winter en schilder in de zomer. Ik heb een periode gehad waarin mijn schildertalent werd opgehouden door mijn schrijfwerk.”

Die spagaat tussen kunstvormen is een familietrekje: zijn vader, Jan Cremer senior, over wie hij in 2016 Fernweh schreef, was ingenieur in de aardwetenschappen, maar wilde ook schrijver zijn. “Mijn vader, overleden toen ik twee jaar was, maakte reisreportages over onbekende landen. Hoe verder, hoe mooier. Hij ging in 1937 op de fiets naar Palmyra in Syrië. Onvoorstelbaar toch?”

Als kind al bedacht Cremer dat hij later mooie boeken zou kunnen maken als hij alles noteerde wat hij deed. In zijn werkkamer staan kasten met tientallen notitieboekjes die hij sinds zijn twintigste heeft volgeschreven. “Ik werk nu de aantekeningen uit mijn jonge jaren uit. Er is zo veel. Over mijn eerste boeken deed ik destijds niet langer dan een paar weken. Ik, Jan Cremer was eigenlijk een vingeroefening. Ik dacht toen: ik schrijf het in één keer van me af, dan kan ik het later een keer uitwerken en detailleren. Die fase is nu pas aangebroken.”

Altijd de leiding

De tussenliggende jaren stelden Cremer in staat met levenservaring en rust te kijken naar de druistige jongeman die hij eens was. Die afstand levert fraaie, gevoelige romans op, zoals Sirenen (over zijn relatie met model en zangeres Loesje Hamel) en Canaille (over zijn relatie met danseres Perrine Peeters). “Die schrijfprocessen maken best wat los. Het is toch zo dat ik na een halve eeuw alsnog het een en ander afsluit.”

De band met zijn dochter, waarover hij in ­Canaille schrijft, is twaalf jaar geleden verbroken. “Misschien dat ze het boek een keer leest. Dat zou goed zijn. Zo kan ze mijn kant van het verhaal ervaren.”

Leert Cremer iets van zijn bespiegelingen? “Ik heb geleerd dat ik in al die gestrande relaties altijd de leiding nam. En als het dan goed ging, wilde ik weg. Ik ben niet van de gezelligheid. Ik kijk sinds mijn kindertijd naar sloten en deuren. Als mijn moeder mij opsloot, brak ik de deur open en ontsnapte ik. Of ik klom uit het raam en belandde op straat. Ik wil altijd weg. Eigenlijk al sinds ik kan lopen.”

Die ontsnappingsdrang is ongetwijfeld te herleiden tot zijn herinneringen aan de oorlog. “Uiteindelijk is alles bij mijn generatie daarop terug te voeren. Ik heb dingen gezien die niet geschikt waren voor kinderogen. Sinds mijn jongste jaren heb ik voor mezelf moeten vechten. Ik zat op twaalf scholen, woonde in tehuizen en ging naar een Duits internaat. Die onrust is er nooit meer uit gegaan.”

Om die reden is hij zo ingenomen met de expositie met zeegezichten in Museum JAN – die schilderijen zijn een overwinning op zijn demonen. “Of ik nou in Umbrië ben of in Cape Cod, altijd maak ik schetsen van de zee. De zee geeft rust. Van alles projecteer ik op die enorme vlakte. Als ik naar een zee kijk, reis ik in mijn hoofd. Dat kan naar een ver land zijn, of naar het verleden. De zee is mijn ideale nooduitgang.”

‘Schilder van de heimwee’

Zijn recente zeegezichten hebben een ruige, grove textuur – de olieverf is, gemengd met zand, in lagen op de doeken gesmeerd. “Schrijven stemt mij melancholiek. Schilderen maakt juist de driften los. Ik boetseer meer dan dat ik een penseel gebruik. Dat begint al als ik de verf meng. Die geur van terpentijn en lijnolie, van verf. Heerlijk. Ik kan dan ook niet meer stoppen. Soms slaap ik zelfs tussen mijn doeken.”

Rudi Fuchs, oud-directeur van het Stedelijk Museum, noemt Cremer ‘een schilder van de heimwee’. “Dat vind ik wel mooi, ja,” zegt Cremer. “Ik heb natuurlijk op de wilde vaart gezeten. Ik heb de Noordelijke zeeën bevaren, de Poolzee, ook de oceanen. In mijn atelier in Italië heb ik de herinneringen daaraan geschilderd. Het zijn altijd herinneringen die ik schilder. In Italië droom ik over Amsterdam. Als ik in Amsterdam ben, droom ik over Italië, New York of Groenland. Het verlangen, of misschien is drang een beter woord, om ergens anders te zijn, gaat nooit meer over.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden