PlusTen slotte

Jan Andriesse (1950-2021) omarmde de zinloosheid van de schilderkunst

Edo Dijksterhuis
Jan Andriesse  Beeld Hollandse Meesters
Jan AndriesseBeeld Hollandse Meesters

Regenboog (1995) meet 3,5 bij 6 meter en hangt permanent op zaal in het Tilburgse museum De Pont, waar de bezoeker zich er in alle rust aan kan overgeven. Langzaam langs dit schilderij lopen, liefst op een afstand waarbij het doek gezichtsveld vullend is, levert een gevoel op dat zich het beste laat beschrijven als ‘omhoog vallen’. Anders dan bij de meeste kunst van monumentale afmeting is dit geen lichamelijke sensatie maar iets mentaals: de geest wordt licht en stijgt op, lijkt bijna op te lossen.

Het begrip dat het beste past is ‘zelfloosheid’ van de 17de-eeuwse filosoof Baruch Spinoza: het is een sublieme vorm van kennen die voorbijgaat aan emoties, lichamelijke restricties of andere aardse beperkingen.

Regenboog is het bekendste werk van Jan Andriesse, die afgelopen donderdag overleed in zijn woonplaats Amsterdam. Het is waarschijnlijk ook de beste uitdrukking van zijn bedoelingen als kunstenaar. Voor hem moest een schilderij stilte, licht en zwaartekracht bevatten – en dan kon er misschien iets gebeuren.

De kunstenaar is zelf afwezig in het werk. De verfhuid is helemaal glad en er is geen kwaststreek te zien. Alsof het doek niet door mensenhanden is gemaakt en we kijken naar het natuurfenomeen zelf. Het verglijden van de licht iriserende tinten is het resultaat van tientallen lagen transparante verf vermengd met marmerpoeder. Daardoor ontstaat een onpeilbare ruimte of diepte. Of zoals Andriesse het zelf stelde: zuurstof, niet voor de longen, maar voor oog en brein.

Door de ogen van een wetenschapper

Jan Andriesse werd in 1950 geboren in Jakarta en groeide op in El Salvador. Een schildercursus die hem als 17-jarige scholier werd aangeboden, zette hem op het pad van het kunstenaarschap. Na de Vrije Academie in Den Haag en Ateliers ’63 in Haarlem vertrok hij naar Canada om zich in 1979 illegaal te vestigen in New York. Andriesse schilderde in die tijd vooral portretten. De confrontatie met daklozen, verslaafden en hosselaars die de toen sterk verloederde stad bevolkten, deed hem echter beseffen dat hij hun ellende nooit zou kunnen vangen op doek, laat staan dat hij er iets aan kon veranderen.

Op dat moment had hij zijn kwasten kunnen opbergen en zich, zoals veel collega’s, kunnen ontpoppen als activist. Dat deed hij niet. Hij omarmde de zinloosheid van de schilderkunst en richtte zich volledig op haar formele eigenschappen. Na acht jaar New York verhuisde hij met partner Marlene Dumas naar Amsterdam, waar hij in een woonboot op de Amstel atelier hield. Hij bekeek de wereld met de ogen van een wetenschapper. De rij van Fibonacci, Keplers driehoek en de gulden snede speelden een belangrijke rol in zijn werk.

Tijdens een creatieve impasse kopieerde hij Mondriaans ruitvormige schilderij met vier gele balken “om de schoonheid van die verpletterende eenvoud te begrijpen”, zoals hij stelde in een aflevering van Hollandse Meesters. De museale waardering voor zijn werk als lichtschilder en erfgenaam van Weissenbruch, Van Gogh en Turner kwam relatief laat. Pas in 2000 kreeg hij een eerste solotentoonstelling, in het Dordrechts Museum. Bij openingen was Andriesse een opvallende verschijning, steevast gekleed in louter wit, de kleur die alle schakeringen van de regenboog in zich verenigt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden