PlusAchtergrond

In Parijs grijpt Willem Frederik Hermans terug op zijn Franse literaire ‘jeugdliefdes’

De flair van de stad charmeert Hermans, van de literatuur in Parijs is hij niet onder de indruk.Beeld Bart Koetsier

In het boek Met Parijse pen belicht Margot Dijkgraaf steeds een schrijver in Parijs; de foto’s van Bart Koetsier volgen de routes uit hun boeken. De lens van de stadsfotograaf en de literaire blik op Parijs richten zich natuurlijk ook op Willem Frederik Hermans.

Wonen in Parijs – generaties Nederlanders hebben ervan gedroomd. Zo ook Paulina, de hoofdpersoon in de roman Au pair, een meisje uit Zeeland dat op haar negentiende haar droom waarmaakt: ze gaat naar Parijs om Frans te studeren. De liefde voor Frankrijk is haar met de paplepel ingegoten: al haar vakanties heeft ze doorgebracht in Bordeaux, waar haar ouders een zomerhuisje hebben. Haar vader droomde er ook al van om in Parijs te studeren, maar het was bij plannen maken gebleven: “t Enige wat hem aan de Franse taal bond, dat waren de volledige werken van Honoré de Balzac, die hij jaar in jaar uit las en herlas, al zijn vacanties, al zijn vrije dagen.’

Ook W.F. Hermans heeft er jaren naar verlangd zich in de lichtstad te vestigen. In 1973 is het zover, hij neemt ontslag bij de Rijksuniversiteit Groningen en verhuist naar Parijs. Eindelijk weg uit het benauwende Nederland, het land waar hij zijn leven lang op afgeeft. Hermans is opgevoed met liefde voor de Franse taal en cultuur, zijn ouders hebben allebei een onderwijsakte Frans en hij houdt van Franse films. De eerste Franse roman die hij leest, Le rouge et le noir van Stendhal, maakt meteen diepe indruk. Ook Voyage au bout de la nuit van Céline boeit hem danig.

Clochard

In 1947 gaat Hermans voor het eerst naar Parijs, hij bezoekt er zijn vriend, de dichter Paul Rodenko. Als Hermans aankomt op het Gare du Nord herkent hij Rodenko in eerste instantie niet, schrijft biograaf Koen Hilberdink, ‘hij zag een sjofel figuur met regenjas met een half wrakke bril scheef op het hoofd gesticulerend’ op zich afkomen. Hij leek in Hermans’ ogen op de eerste de beste clochard. Hermans valt voor de stad. Ze gaan met de metro, die Hermans ‘een wonderbaarlijke uitvinding’ vond, naar de vlooienmarkt en het wassenbeeldenkabinet – rariteiten interesseren hem meer dan de grote musea waar de meeste bezoekers in Parijs voor komen.

Hermans en zijn vrouw Emmy nemen hun intrek in de Rue Théodule Ribot, een statige straat in nog steeds een van de duurste wijken van Parijs, in het 17e arrondissement. Het huis, met een klassieke zware houten deur voorzien van ijzeren beslag en een glimmend koperen handvat, ligt op loopafstand van de Place Charles de Gaulle – l’Etoile. Hermans hoeft vanuit zijn huis maar twee keer links af te slaan om in het prachtige park Monceau te belanden. Journalisten die hem opzoeken fotograferen hem daar. Later verhuist Hermans naar de al even statige Boulevard Niel.

Hij eet graag in een van de brasseries in de buurt van de Place Pereire, later omgedoopt tot de Place du Maréchal Juin. Restaurants met een goede choucroute op de kaart schijnen zijn voorkeur te hebben gehad.

Wat zich achter de statige deur aan de Rue Théodule Ribot bevindt, beschrijft Hermans in een van zijn columns in Het Parool. Eerst komt hij in het ‘weidse trappenhuis van witte kalkzandsteen, hier en daar door een ionische zuil geschraagd’, dan ziet hij de ‘donkerrode lopers op de trappen’, waarna ‘een stokoud eikenhouten liftje [hem] naar de vijfde etage hijst, langs smalle uitgerekte ramen, die begroeid zijn met kleurige glazen veldbloemen in Jugendstil.’

Ging Hermans naar Frankrijk omdat schrijvers daar meer aanzien genieten dan in Nederland? Omdat hij weet dat zijn vak er, zeker in die tijd, beduidend hoger wordt gewaardeerd? Verwacht hij er als buitenlandse schrijver warm te worden onthaald? Zo ja, dan moet Hermans wel teleurgesteld zijn.

In Parijs grijpt hij terug op zijn Franse literaire ‘jeugdliefdes’, Céline, Henri Béraud, Flaubert en Arthur de Gobineau. Onder pseudoniem schrijft hij stukjes over Victor Hugo, Claire Bretécher, Proust en Du Perron. Met Franse collega-auteurs zoekt hij geen contact. Hij steekt ook niet onder stoelen of banken dat hij van de Franse literatuur in zijn tijd allesbehalve onder de indruk is. Tegen Cees Nooteboom, die hem in Parijs komt opzoeken, zegt hij dat auteurs ‘op het ogenblik niet de moeite waard zijn’.

Waar het prestige van de Prix Goncourt vandaan komt is hem een raadsel, want ‘acht van de tien auteurs die met de Prix Goncourt zijn vereerd’ zijn maar middelmatig. De prijs is volgens Hermans ‘haast systematisch’ naar een slecht boek gegaan, ‘ook in jaren dat er wel bijzonder goede boeken in omloop waren gekomen’. Waar hij dat oordeel op baseert blijft onduidelijk.

Dat Hermans de Franse literatuur van zijn tijd leest, blijkt nergens uit. Wel bezoekt hij graag huizen van beroemde, door hem bewonderde Franse schrijvers, zoals dat van Balzac of van Guy de Maupassant.

Verstikkend isolement

Hij is gelukkig in Parijs, zegt Hermans tegen Cees Nooteboom. Maar ‘het leven is hier ook moeilijk. Niet zo makkelijk als veel mensen denken. En bovendien heb ik het heel druk, ik kom dikwijls dagenlang mijn kamer niet af. Maar ik heb wel het voordeel, boven andere toeristen, dat ik, als ik in Parijs wil wandelen, alleen maar met de lift naar beneden hoef.’

De schrijver blijft een toerist in Frankrijk, een Nederlander in Parijs, schrijft biograaf Willem Otterspeer (…) Nooteboom heeft de indruk dat hij in ‘die grote, schitterende appartementen in een soms verstikkend isolement leeft’.

Hermans woont jaren in Parijs, maar heeft nauwelijks contact met Fransen (…) De functie van een roman is de fundamentele eenzaamheid van alle mensen op te heffen, zegt hij tegen Nooteboom. En eenzaam lijkt Hermans geweest te zijn in Parijs. Schrijven is voor hem als ‘een verslaving aan drugs’. (…)

Maar zijn alter ego Bijkaart geeft zich ook regelmatig verheerlijkt over aan een lofzang op de Parijse middenstand (…)‘In het straatje waar ik mijn boodschappen doe, zijn wel acht bakkers, wel tien slagers, die ieder twintig soorten brood tweemaal per dag vers bakken, die vijfentwintig soorten vlees verkopen, plus kippen (echte, met geel vel) en ganzen, kalkoenen, korhoenders, kwartels, duiven, hazen, reeën, wilde zwijnen, enz. Als je ziet wat hier te koop is, besef je onthutst dat de Nederlanders driekwart van alle smakelijke dingen die de lieve natuur oplevert, helemaal niet kennen, nooit hebben gezien.’ Steevast valt de vergelijking van Frankrijk met het vaderland dat hij verlaten heeft negatief uit voor Nederland.

Non-Fictie

Margot Dijkgraaf en Bart Koetsier
Met Parijse pen, Literaire omzwervingen
Boom Uitgevers, €29,90, 192 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden