PlusBeeldspraak

Ik heb iets verschrikkelijks gedaan in Tuschinski

Er was veel te zien in een eeuw Tuschinski. Er was ook veel te horen, vooral tijdens het oorverdovende Weekend of Terror.

Bart van der Put
Freddy (Robert Englund) in A Nightmare on Elm Street 3: Dream Warriors.   Beeld Alamy
Freddy (Robert Englund) in A Nightmare on Elm Street 3: Dream Warriors.Beeld Alamy

Het hoge woord moet er maar eens uit. Ik heb iets verschrikkelijks gedaan in Tuschinski. Het gebeurde dertig jaar geleden, maar ik schaam me er nog voor. Het had nooit mogen gebeuren. Een cinefiel doet zoiets niet. Zeker niet daar en op dat moment tijdens de voorstelling.

Er waren misschien verzachtende omstandigheden, maar als ik eerlijk ben deden die er niet toe. Het geeft geen pas om tijdens een voorstelling een bomvolle bioscoopzaal binnen te vallen, een hele rij mensen te laten opstaan om de laatste lege stoel te bereiken en daarna pas een blik op het doek te werpen.

Krijg nou wat! Zie ik daar het Kurhaus in Scheveningen? Dat kan niet kloppen. Waar ben ik? Laat ik het maar even vragen, of beter: luidkeels roepen. Dat is al jaren traditie op dit festival. Ik stel de hamvraag uit volle borst: “Ben ik hier bij Two Thousand Maniacs!?” Er komt een niet mis te verstaan antwoord: “Houd je bek, man, je verpest het einde van Eline Vere!”

Primitieve banjohumor

Oeps. Dat verklaarde het Kurhaus, de vrouw in de baljurk en de dramatisch aanzwellende muziek. Ik zat in de verkeerde zaal. Ik dacht naar een notoir bloederige Amerikaanse redneck-komedie uit 1964 te gaan, maar viel pardoes in het einde van de nieuwe Louis Couperusverfilming van Harry Kümel en Matthijs van Heijningen. Hoe was het mogelijk?

Ik had beneden niet de linkertrap moeten nemen, daar was wat mee. Je wist nooit waar je terecht kwam met al die rare zaaltjes boven. Ik had mijn achtste Weekend of Terror misschien ook niet met bier moeten vieren. De nacht was nog niet begonnen of ik was al onderweg. Nou ja, bij Two Thousand Maniacs! moet natuurlijk wel gedronken worden. Anders werkt die primitieve banjohumor met ketchuptrucages voor geen meter. Het was allemaal waar. Maar dit kwam er dus van op mijn Weekend of Error. Verkeerde zaal. Wat een sof.

De ernstige boekverfilming Eline Vere was afgelopen. Ik trotseerde de boze blikken van de mensen met smaak en goede manieren en daalde af naar de foyer, om alsnog de rechtertrap naar zaal 2 te nemen. Het was rijkelijk laat. Maar de maniakken waren tweeduizend man sterk; als ik er een paar had gemist, bleven er nog genoeg over. Ik betrad de zaal en herhaalde de hamvraag: “Ben ik hier bij Two Thousand Maniacs!?” Dat was ik. Het feest kon eindelijk beginnen. De schaamte verdween. De kater kwam later.

Tienerhorrorfilms

Het gebeurde in Tuschinski op zaterdag 23 maart 1991. Of eigenlijk een dag later, want tijdens het Weekend of Terror begonnen de eerste films op vrijdag en zaterdag iets na middernacht. Per nacht kon je vier films zien. Om negen uur ’s ochtends stond je weer op straat. Na de tweede nacht was je dan kapot en schor en vervuld van het gevoel dat je ergens bijhoorde, dat je lid was van een stam, een troep, een bende. En je wist dat het een heel jaar zou duren voor die bende Tuschinski weer twee nachten in bezit nam.

Mijn dwaling aan het begin van de tweede nacht in de achtste editie was ingegeven door cinefilie. De bloederige films van Hershell Gordon Lewis waren namelijk helemaal niet te zien in Nederland; de 35mm filmkopie van Two Thousand Maniacs! was speciaal voor het festival ingevlogen met nog drie andere films van de Amerikaanse regisseur. Ik moest er minstens een bekijken. Lewis kenden we alleen uit de genrefilmliteratuur. Hij was een ­pionier in het soort films waarmee het festival de grote zaal uitverkocht.

Het Weekend of Terror deed dus ook aan duiding en diepgang. Er werden geweldige genrefilms uit alle wind­streken vertoond. Maar het evenement werd legendarisch door het oorverdovende onthaal dat Amerikaanse tienerhorrorfilms in de grote zaal kregen. Daar maakten populaire boemannen als Freddy, Jason en Pinhead korte metten met gillend slachtvee dat luidkeels voor ‘hoer!’ werd uitgemaakt.

Bij elke moord klonk er gejoel en gingen er misthoorns af. Het was de Romeinse arena of Ajax-Feyenoord, maar dan in het filmpaleis dat Abraham Tuschinki op 28 oktober 1921, deze donderdag precies een eeuw geleden, voor ‘de gewone man’ opende.

De gewone man vond er een eeuw lang zijn draai en zijn vertier. Hij bouwde er feesten en vestigde tradities. En op een dag verdwaalde hij op weg naar een zaal vol maniakken in de nok van het paleis, om in een donker zaaltje ­verbijsterd naar het Kurhaus in Scheveningen te kijken. Hij schreeuwde het uit en verpestte het einde van Eline ­Vere. Het gebeurde in Tuschinski even na middernacht en zou hem nog jaren achtervolgen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden