PlusBoekrecensie

Ik ben er niet van Lize Spit: te veel ‘tell’, weinig ‘show’

De hoofdpersonages Leo en Simon zijn twee eenlingen die beschadigd zijn geraakt in hun jeugd.   Beeld Getty Images
De hoofdpersonages Leo en Simon zijn twee eenlingen die beschadigd zijn geraakt in hun jeugd.Beeld Getty Images

‘Grote onverwachte gebeurtenissen gebeuren in een split second, vaak weet degene die bijvoorbeeld een ongeluk krijgt ternauwernood wat hem overkomt,” zei de Amerikaanse auteur Lionel Shriver toen ik haar vroeg naar haar snelle plotwendingen, die vaak nauwelijks meer dan een klein zinnetje beslaan. “Daarom is een heel gedetailleerd plot ook zo ongelooflijk onrealistisch.”

De Vlaamse Lize Spit (1988) moet een tegenovergestelde mening zijn toegedaan. Een gedachte die regelmatig opspeelde bij het lezen van Ik ben er niet, de opvolger van haar succesdebuut Het smelt (2016).

In Ik ben er niet staat de relatie tussen Leo en Simon centraal. Deze twee eenlingen worden met elkaar verbonden door een ongelukkige jeugd – Leo moest toezien hoe haar vader haar moeder treiterde en Simon werd op school gepest om zijn flaporen. Beiden verloren hun moeder. Veel meer dan elkaar hebben ze niet. Hun enige sociaal leven bestaat uit contact met Lotte, de collega van Leo in de zwangerschapswinkel Buik & Boek, die een relatie krijgt met Coen, Simons collega bij reclamebureau Think Out Loud.

Op een nacht komt Simon thuis met een zelfontworpen tattoo achter zijn oor. Hij doet vreemd en gedraagt zich bijna onherkenbaar. Zijn plotselinge verandering van gedrag blijkt de opmaat voor een psychose ten gevolge van een bipolaire stoornis.

Elf minuten

Leo vertelt hoe zij en Simon elkaar twaalf jaar geleden ontmoetten toen ze studeerden aan de filmschool. Simon Spruyt was haar al opgevallen, maar ze had pas echt een aanknopingspunt in de aanloop naar het overlijden van zijn moeder: ‘Plotseling kende ik Simon beter dan eender wie’.

Toen zijn moeder overleed, begon hun relatie. Spit laat geen gelegenheid ongemoeid om te benadrukken hoe hecht ze waren, als twee kleine in de steek gelaten kinderen die zich angstvallig aan elkaar vastklampen. Te veel ‘tell’, te weinig ‘show’. Op een gegeven moment weet je het wel: jahaa, die relatie was heel bijzonder, tótdát...,

Maar het grootste probleem komt voort uit de opbouw. De roman kent drie tijdlagen, waartussen Spit heen en weer beweegt: de jeugd van de twee hoofdpersonages, de periode in aanloop naar de psychose, van 12 mei 2018 tot 22 februari 2019 en de elf breed uitgesmeerde minuten voorafgaand aan de plot.

Spit begint met het hoofdstuk Nog 11 minuten, winkel, met een paar gemiste oproepen. Er is iets ergs gebeurd, de lezer weet niet wat. Deze wijze om spanning te creëren is zo’n cliché, dat ook de verteller, een scenarioschrijver die winkelbediende is, zich genoodzaakt voelt er op modernistische wijze kond van te doen: ‘Een personage dat ergens in opgaat, niet op de hoogte is van zijn eigen naderende onheil, meer is er niet nodig om de spanning op te drijven.’

De verteller telt in minuten en zelfs seconden af tot het voorval en geeft de lezer daarbij steeds gedoseerde scheutjes extra informatie. Het mag echter niet baten: de opzet van de roman voelt stroperig.

Competitie

Ik ben er niet is weer een behoorlijke baksteen (568 blz.), net zoals Spits plot gedreven debuut Het smelt. Haar opvolger had een stuk slanker gekund: het verhaal mist vaart doordat het te gedetailleerd is, het bevat veel reflectie en uitleg op het handelen van de verteller in nietszeggende zinnen als ‘Ik duwde oordopjes in en probeerde alleen in bed nog een uur of twee goed te slapen, tot mijn wekker liet weten dat het tijd was om naar de winkel te vertrekken’. Dit soort zinnen zijn zo dagelijks dat ze alleen maar ophouden, langdradig maken.

Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat de druk voor een opvolger van een succesvol debuut de auteur parten heeft gespeeld. En dan lijkt ze ook nog in een competitie met Marieke Lucas Rijneveld te verkeren, die in 2016 net na Spit debuteerde met een boek dat wel heel erg op het hare leek en vervolgens de Booker Prize voor beste vertaling won. Beide gingen toen voor een dramatisch superplot met wel heel veel gelijkenissen. De opvolgers van hun successen zijn nu wederom kort na elkaar verschenen, hoewel de vergelijking nu mank gaat.

Waar Ik ben er niet in wezen over gaat, is het ongeloof en het verdriet van Leo die lijdzaam moet toezien hoe haar geliefde zich steeds meer verliest in paranoïde wanen. Zo herkent hij in collega Coen een pestkop van de middelbare school, die hem vanuit een busje aan de overkant van de straat bespioneert.

Een geliefde die verdwijnt in een psychose is een goed onderwerp en dat weet Spit in een soort dagboekachtige passages overtuigend over het voetlicht te brengen. De onmacht van iemand die toe moet kijken is genoeg om een verhaal te dragen. Spit had het klein moeten houden.

Maar de plot is in deze roman de strohalm waaraan de auteur zich heeft vastgeklampt. Hoewel die plot onverwacht is, heeft die niet het gewicht om de lange aanloop te dragen. Vergeet de plot, zou ik zeggen. Of luister naar Shriver.

null Beeld

Fictie
Lize Spit
Ik ben er niet
Das Mag Uitgevers, €25,99, 568 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden