PlusAchtergrond

Het oog van kunstverzamelaar Paul Rijkens stuurt weer onze blik

Paul Rijkens (1888-1965) was een voorloper van de hedendaagse superverzamelaars. De reconstructie van de na zijn dood uiteengevallen collectie laat zien hoe ook toen de smaak van een liefhebber met geld invloed had op de markt.

Uit de collectie-Rijkens: links De naakte Maya van Isaac Israëls.Beeld Kunsthandel Studio 2000, Blaricum

Het jongste werk in Collectie Paul Rijkens is ruim een halve eeuw oud. Toch is dit een bijzonder hedendaagse tentoonstelling. Dat komt door het onderwerp: niet de schilderijen in het Stedelijk Museum Alkmaar maar de man die ze bij elkaar bracht, voormalig Unilevertopman Paul Rijkens.

Anno 2020 staan verzamelaars aan de top van kunstmarktpiramide. Zij bepalen meer dan alleen het prijsniveau op veilingen en in galeries. In toenemende mate vervangen ze conservatoren, critici en kunsthistorici als de drijvende krachten achter de canonvorming. In het uiterst lezenswaardige Boom – Mad Money, Mega Dealers, and the Rise of Contemporary Art beschrijft Michael Shnayerson hoe collectioneurs sinds de Tweede Wereldoorlog hedendaagse kunst kopen, groeperen aan de wand of in de kluis, weer verkopen of schenken. De inhoud van hun portemonnee stimuleert kunstenaarscarrières, bepaalt wie zichtbaar is in media en musea, wie aanspraak maakt op eeuwigheidswaarde.

In Rijkens’ tijd was de kunstwereld nog geen mondiaal circus met iedere week een beurs. Er waren nog geen superdealers als Larry Gagosian of David Zwirner, die een jaaromzet van een miljard dollar draaien. Collectioneurs in Rijkens tijd werkten ruwweg binnen hetzelfde mechanisme van waardebepaling als nu: een spel tussen verzamelaars, kunstenaars, handelaren en adviseurs.

Herfst in het Vondelpark van Gustave De Smet. Beeld Particuliere collectie

Smaakontwikkeling

Rijkens kocht zijn eerste kunstwerk in 1913. Hij was de zoon van een margarinefabrikant en kende het fenomeen kunst verzamelen uit zijn directe omgeving: zijn familieleden kochten oude meesters. Als 25-jarige met hbs en een middelbare akte boekhouden had hij daar niet de middelen voor, dus Rijkens beperkte zich tot kunst van zijn eigen tijd.

Bepalend voor zijn smaakontwikkeling werd zijn vriendschap met Toon Kelder, begonnen in 1914. De schilder bracht hem in contact met criticus Albert Plasschaert, die uitgroeide tot zijn belangrijkste adviseur. Ook leerde hij het werk kennen van de Vlaamse expressionist Constant Permeke en graficus Walter Vaes. Van de laatste zijn in Alkmaar pentekeningen te zien. Ze tonen de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog op surrealistische wijze, ze doen denken aan Jeroen Bosch. Permeke is vertegenwoordigd met een lekker grof boerenlandschap. Rijkens durfde: hij kocht geen brave, burgerlijke kunst ter stoffering van het huislijk leven maar maakte uitgesproken keuzes.

Van zijn vriend Kelder kocht Rijkens ook. Kelders lievelingsonderwerp was zijn vrouw Alexandrine, een Indonesische schoonheid. Zijn mecenas bezat uiteindelijk wel veertig portretten van haar. Dat riekt naar exotisme en een raar soort intimiteit. Maar waarschijnlijk zag Rijkens dat helemaal niet zo, vond hij het gewoon sterke doeken. Toen Alexandrine in de jaren vijftig zelf begon te schilderen en exposeren onder haar voornaam, stond hij meteen klaar om ook voor haar te bemiddelen en kocht hij werk. Alexandrines naïeve, heldere en super­gedetailleerde doeken zijn de leukste ontdekking van deze tentoonstelling. Dat had Rijkens weer goed gezien.

In die periode was hijzelf een gevierde industrieel. De onderneming van zijn vader had hij gefuseerd met Lever Brothers om zo het grootste bedrijf van Europa te vormen. Tijdens de oorlog was hij steun en toeverlaat van het koningshuis in ballingschap en na de bevrijding zette hij zich in voor de Europese eenwording, onder andere door de Bilderberg Conferentie op te zetten.

Zijn ontwikkeling als kunstverzamelaar hield gelijke tred met zijn maatschappelijke en zakelijke carrière. Verantwoordelijkheidsgevoel en geldingsdrang gingen hand in hand. Schilderijen schafte hij aan per dozijn, een beetje vergelijkbaar met Charles Saatchi nu. Toen de Bergense mecenas Piet Boendermaker door de beurscrash van 1929 tegen bankroet aan zat, stond Rijkens klaar om de mooiste stukken uit zijn collectie te plukken. Dat verklaart het stevige aandeel Bergense School in de tentoonstelling, veelal bonkige stillevens in aardse tinten.

Vrijmoedige naakten

Met het groeien van zijn verzameling ging Rijkens ook werk kopen van gevestigde kunstenaars als Breitner en Israëls. Maar nieuwigheden als Cobra waren niet aan hem besteed. Hij bleef opmerkelijk trouw aan eerdere ontdekkingen als Piet Wiegman, van wie een groot en erg aanwezig schilderij te zien is van vissers met grove koppen. Een andere favoriet was Jan Sluijters, vooral zijn vrijmoedige naakten. Die werden toentertijd als behoorlijk gewaagd, zelfs aanstootgevend gezien, maar Rijkens hing ze doodgemoedereerd in de woonkamer. Hij liet zelfs een catalogus maken om trots zijn bezit kunnen te tonen aan zakenvrienden en relaties. In 1960 ging hij nog verder met dat delen. Hij toonde zijn collectie in het Gemeentemuseum Den Haag, decennia voor de Chadha’s en Van Caldenborghs van tegenwoordig.

Vijf jaar later overleed Rijkens. Nabestaanden hielden slechts een deel van de werken, zijn collectie viel uiteen. De reconstructie in Alkmaar laat goed zien hoe de verzamelaar leefde met kunstenaars van zijn generatie en hoe hij door aankoop en promotie van hun werk meeschreef aan de hedendaagse kunstgeschiedenis.

Stilleven met kreeft en appelen van Walter Vaes. Beeld Collectie Museum Helmantel, Westeremden

Collectie Paul Rijkens: t/m 30 augustus in Stedelijk Museum Alkmaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden