Plus Interview

‘Het gat met Amerikaanse films wordt steeds groter’

Pim Hermeling, Job ter Burg, Doreen Boonekamp, Frans van Gestel en Martin Koolhoven. Beeld -

Het is een onzekere periode voor de Nederlandse filmindustrie. Betere tijden lijken door de uitgangspunten voor het cultuurbeleid 2021-2024 vooralsnog ver weg.

De brief met uitgangspunten voor het cultuur­beleid in de periode 2021-2024 die minister Ingrid van Engelshoven onlangs naar de Kamer stuurde bevat een aantal positieve maatregelen, met name op het gebied van talentontwikkeling en film­educatie, maar de omroepen hangen draconische kortingen boven het hoofd – met alle gevolgen van dien voor hun investeringen in de Nederlandse film.

De komst van digitale platforms als Netflix heeft er bovendien voor gezorgd dat de dvd- en blu-raymarkt sterk is gekrompen, waardoor de meeste filmdistributeurs veel minder inkomsten hebben. Ook het verdwijnen van Film1 zorgt ervoor dat zij veel minder in Nederlandse films kunnen investeren dan voorheen.

De minister wil de positie van de onafhankelijke filmsector versterken. Zijn de aangekondigde maatregelen voldoende?

Doreen Boonekamp, die in oktober na tien jaar afscheid neemt als directeur van het Filmfonds: “Het is een goed begin, maar het is absoluut niet afdoende omdat het aanbod van eigen bodem steeds meer in de verdrukking komt en de tijd dringt.”

“Zoals de Raad voor Cultuur ook adviseert is het nodig om een gezond ecosysteem te creëren dat aansluit bij de veranderingen in de sector. Zo zouden eindexploitanten, waar nu het grootste deel van de inkomsten terecht komt, mee moeten gaan betalen om het aanbod over de hele linie te versterken en ook om de Nederlandse film beter zichtbaar te maken.”

Regisseur en scenarist Martin Koolhoven: “Het landschap is de afgelopen tien jaar enorm veranderd. Er komen veel meer films uit, waardoor het dringen is in de bioscoop. De films die het het beste doen in de bioscopen doen dat in vrij korte tijd; die gaan heel groot uit in heel veel kopieën en daar zit een enorm marketingbudget achter. Dat is voor ons niet meer haalbaar, waardoor je dus geen Nederlandse films meer bovenaan de top 10 ziet.”

“Natuurlijk kunnen we het ook over inhoud en kwaliteit hebben, maar als Coca Cola de markt domineert is het voor een ander, kleiner merk een stuk lastiger, hoe goed dat merk ook is.”

Is daar nog iets aan te doen?

Frans van Gestel, directeur Topkapi Films: “Het is complex, omdat er zo veel zaken tegelijk spelen. We moeten er in ieder geval voor zorgen dat als er iets moois gemaakt wordt de kansen gelijk zijn. Het gat met de grote Amerikaanse films wordt echter steeds groter, omdat de bedragen die distributeurs in Nederlandse films kunnen steken teruglopen en daarmee ook de bedragen die in de promotie gestoken kunnen worden.”

Worden er nog Nederlandse publieksfilms gemaakt waarin distributeurs veel geld willen steken?

Pim Hermeling, directeur September Film: “Op dit moment niet, omdat de bezoekersaantallen van succesvolle Nederlandse films van rond de 650.000 naar 250.000 zijn gezakt. Dan verdien je je investeringen niet terug.”

Het Filmfonds probeert al een paar jaar minder, maar betere films te ­maken met grotere budgetten. Biedt dat soelaas?

Boonekamp: “Effecten zie je altijd pas later omdat het maken van films veel tijd kost. Er wordt veel meer ingezet op ontwikkeling en het aantal speelfilms is met ongeveer een derde teruggebracht. Investeringen van marktpartijen nemen inmiddels echter zo snel af, dat de productie­budgetten desondanks nauwelijks toenemen. We moeten dus nog verder terug in aantal om het beoogde effect te bereiken.”

“Omdat er te weinig inkomsten terugvloeien, is er ook geen echte prikkel meer om een film optimaal uit te brengen. Voor het artistieke succes is die er nog wel, maar de verdiensten zitten voor iedereen in het maken van een film of serie. Dat drijft de productiedruk op en dat kom de kwaliteit niet ten goede.”

Van Gestel: “Dit speelt in heel Europa, niet alleen in Nederland.”

Koolhoven: “Allemaal goed en wel, ik vind dat het ambitieniveau hier ook wel wat omhoog mag.”

Dat was ook een van de conclusies van een enquête onder 300 Nederlandse filmmakers eerder dit jaar.

Koolhoven: “Daarin wordt heel veel naar anderen gewezen, we zouden eens wat beter naar onszelf moeten kijken. Denk je nu echt dat ze bij het Filmfonds een la vol briljante scenario’s hebben, die ze tegenhouden omdat ze liever eenheidsworst willen? Ik geloof daar niks van. Wat de bioscopen haalt is een afspiegeling van wat de Nederlandse filmmakers willen maken.”

Van Gestel: “Ik lees heel veel scripts. Het aantal uitzonderlijke plannen op jaarbasis is op de vingers van een hand te tellen. Dat is helemaal niet erg; als wij elke drie jaar één uitzonderlijk talent hebben, mogen we onze handen dichtknijpen. Als zo’n talent zich aandient – heus, ze zijn er – moet er ruimte zijn zodat ie zijn kans kan grijpen en met een substantieel budget op een eigen manier een bijzonder verhaal kan vertellen.”

Job ter Burg, voorzitter Nederlandse Vereniging van Cinema-Editors: “Geld en organisatie, daar draait het om. Een gelijk speelveld met gelijke kansen, zodat mensen beter worden en betere films kunnen maken.”

Hermeling: “Vervolgens moeten we de bioscoopbezoeker ervan doordringen dat de Nederlandse film wél interessant is en een bezoek waard is.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden