Recensie

Het enige requiem waar je om moet glimlachen

Dat een requiemmis niet altijd zwaar op de hand hoeft te zijn bewijst Berlioz. Hoewel: het zorgde voor de componist wel voor hartenzeer. Gelukkig maakte de dood van een generaal een hoop goed.

Erik Voermans
Antonio Pappano dirigeerde het Concertgebouworkest. Dat onvergetelijke concert is nu op cd gezet.

 Beeld ullstein bild via Getty Images
Antonio Pappano dirigeerde het Concertgebouworkest. Dat onvergetelijke concert is nu op cd gezet.Beeld ullstein bild via Getty Images

Er zijn weinig stukken in de klassieke muziek waarvan een mens zoveel goede zin krijgt als de Grote Dodenmis van het krankzinnige Franse genie Hector Berlioz. Goede zin krijgen van een requiem is merkwaardig en waarschijnlijk zelfs zeer ongepast, maar bij Berlioz is er geen ontkomen aan. Het componeerplezier spat ervan af. Dat is ongetwijfeld te verklaren door het feit dat Berlioz geen persoonlijk verdriet te verwerken had bij het schrijven, maar dat hij de vrijheid kreeg zich compositorisch eens lekker te laten gaan.

De Grande Messe des Morts is te danken aan Adrien de Gasparin, de Franse minister van Binnenlandse Zaken en muziekliefhebber, die in 1836 bepaalde dat jaarlijks één Franse componist drieduizend oude francs zou krijgen voor de levering van une messe ou un oratoire de grande dimension – een mis of een oratorium van grote omvang. En hij wist ook wie de eerste zou moeten zijn: Hector Berlioz. Het idee was dat die iets zou schrijven ter nagedachtenis aan de slachtoffer van de julirevolutie van 1830.

Onmogelijke opgave

Berlioz moest haast maken. Hij kreeg maar vier maanden de tijd om met iets voor de dag te komen. Prima, dacht Berlioz, wiens hoofd ‘op het punt stond uit elkaar te barsten onder de druk van de opbruisende gedachten’, zoals hij beschrijft hij in zijn geweldige autobiografie Mémoires.

Berlioz bracht het onmogelijke tot stand, maar er volgde een reusachtige teleurstelling. De Franse regering schrapte de uitvoering omdat het ineens allemaal soberder moest. In zijn memoires zet de componist het op een groots en karakteristiek gejammer. ‘Hier zit ik nu, met het grootste muziekwerk dat ooit geschreven werd.’

Hier was niets aan overdreven. In zijn partituur schreef hij ruim honderd strijkers voor, alsmede gigantisch veel houtblazers (acht fagotten!), twaalf hoorns, vier tuba’s, zestien pauken en een koor met tachtig sopranen en alten, zestig tenoren en zeventig bassen.

Probeer daar maar eens niet om te glimlachen.

Eclatant succes

Het liep voor Berlioz toch nog goed af, omdat generaal Charles-Marie Denys de Damrémont een paar maanden na de gesneefde première zo vriendelijk was te overlijden, waardoor het requiem alsnog van stal kon worden gehaald.

De uitvoering was een eclatant succes, ondanks dat dirigent François-Antoine Habeneck (niet de grootste vriend van Berlioz), bij de inzet van het Tuba mirum, dat naadloos uit het Dies irae voorkomt en gepaard gaat met een duidelijk aan te geven dramatische vertraging, op het moment suprême zijn dirigeerstok liet zakken, rustig zijn snuifdoos tevoorschijn haalde en een snuifje tabak nam.

Dat snuifje tabak liet Antonio Pappano gelukkig achterwege toen hij in 2019 de Grand Messe des Morts bij het Concertgebouworkest dirigeerde. Mede daardoor werd het een onvergetelijk concert dat nu op cd is gezet.

Het genot is groot, al zou je van het koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia een net even wat scherpere intonatie en articulatie willen. In het Sanctus schittert de Mexicaanse tenor Javier Camarena.

Klassiek

Hector Berlioz
Grande messe des morts
(RCO 19006)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden