PlusAchtergrond

Het eigenzinnige filmoeuvre van kunstenaar Rosto

Kunstenaar Rosto overleed vorig jaar op 50-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Daarmee kwam een vroegtijdig einde aan een eigenzinnig filmoeuvre.

Scène uit Splintertime, onderdeel van Rosto’s Thee Wreckers ­Tetralogy.

De speelfilm die kunstenaar Rosto altijd nog wilde maken, zal er niet meer komen. Al zeker sinds 2011 sprak hij in ­interviews die ambitie uit, maar bij zijn dood op 7 maart 2019 liet hij het plan ervoor onvoltooid na.

Het spreekt tot de verbeelding: wat had de volstrekt ­eigenzinnige maker kunnen doen met een langere vertelling? Twintig jaar lang smaakten de korte films van Rosto telkens weer naar meer. Het maakte hem tot een veelgeprezen figuur in de animatiewereld en op internationale festivals – ‘een niche binnen een niche binnen een niche’, zoals Rosto zelf het in een interview omschreef.

Zijn uit duizenden herkenbare stijl bleef zelfs in zijn schaarse opdrachtwerk overeind – leaders voor VPRO-programma’s als R.A.M. en Pinkpop, enkele videoclips voor Anouk. Maar zijn onafhankelijk geproduceerde korte films – negen stuks sinds 1999 – gingen nog een aantal stappen verder. Binnen zijn in 2005 opgerichte studio Rosto A.D. werkte hij er met tientallen bondgenoten aan om de droombeelden uit zijn onderbewuste zo ongefilterd mogelijk naar filmbeelden te vertalen.

Echte mensen en poppen

Rosto’s werk kan zonder twijfel geclassificeerd worden als animatie. Dat is in elk geval het meest comfortabele label voor zijn balsturige mix van opnamen van echte mensen en poppen en zowel klassieke als digitale animatie, met een hoofdrol voor de door Rosto zelf (met zijn band The Wreckers) gecreëerde muziek.

Maar Rosto noemde zichzelf liever geen animator. ­Omdat hij zich tegelijkertijd zag als iets groters (hij deed zo veel meer dan alleen animeren), en als iets kleiners: animeren als vak, als ambacht, was niet waar hij zich op richtte. “Ik gebruik animatietechnieken omdat ik daarmee hardop kan dromen,” zo omschreef hij zijn werkwijze in 2011 in een interview met de VPRO Gids.

Dat dromen nam bij Rosto veelal de vorm van een nachtmerrie aan. Nachtmerries met terugkerende locaties – de gangen van een hotel; een plein met een fontein; een ­abstracte witte vlakte; de open zee; de filmset in Rosto’s ­eigen studio. En met terugkerende personages – de kno­kige Langeman, het duo Diddybob en Buddybob, Rosto’s kwaadaardige alter ego Virgil Horn. Nooit precies hetzelfde, altijd herkenbaar.

Rockbandjes

Rosto begon, zo vertelde hij herhaaldelijk in interviews, al op zijn zevende met filmpjes maken. Geholpen door een groep vriendjes, die elk een gulden inlegden om de kosten van de ‘studio’ op te brengen, deed hij pogingen tot korte animatiewerkjes – die door hun beperkte technische kennis grotendeels mislukten. In zijn tienerjaren volgden uit de losse pols geschoten horrorwerkjes; uit die periode stamt ook zijn artiestennaam, een samentrekking van de eerste letters van zijn voor- en achternaam. Die is online simpel te vinden, maar deed er voor Rosto niet meer toe – zelfs zijn kinderen noemden hem Rosto.

Tijdens zijn opleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, afdeling grafische vormgeving, leerde hij vooral dat hij niet in één hokje wilde passen. De echte energie haalde hij uit de rockbandjes waar hij in zijn vrije tijd in speelde. Intussen draaide hij ook het boekwerk The Four Riders of Dog in elkaar, dat in acht hoofdstukken zo veel mogelijk verschillende vormen aangreep: grafisch ontwerp, illustraties, schrijven en schilderen.

Rosto.Beeld Bart Mühl

The Four Riders of Dog zou de basis vormen voor alles wat volgde. Deels was dat doelbewust: Rosto stelde zichzelf ten doel dat alles wat hij maakte terug moest grijpen op die bron. En dus werd het bandje The Rockers toen hij erbij kwam omgedoopt tot The Wreckers, vernoemd naar het hoofdstuk Wreck-A-Lula uit het boek.

The Wreckers toerden een tijdje langs de Nederlandse zalen, maar voor het popartiestenbestaan bleken de bandleden niet weggelegd. De band leefde voort als Thee ­Wreckers, de drijvende muzikale kracht achter Rosto’s films, die in meer of mindere mate altijd ook videoclips zijn bij de Wreckerssongs.

Rosto’s denken in concepten bleef er ook toen zijn filmcarrière op gang kwam. Het korte startschot Beheaded (1999) werd achteraf gebombardeerd tot het eerste deel in de trilogie Mind My Gap, ook de titel van een mixed-media graphic novel die nog altijd online te lezen is. De film­cyclus werd vervolgd met (The Rise and Fall of the Legendary) Anglobilly Feverson (2002) en Jona/Tomberry (2005). De eerste van die twee zette Rosto internationaal op de kaart; de tweede won op het filmfestival van Cannes de Grand Prix Canal+ in het zijprogramma Semaine de la Critique.

Speelfilmlengte

Het succes van die eerste films gaf Rosto de kans om zijn grootste film tot dan toe te maken. In 2011 verscheen The Monster of Nix, een half uur lange film waaraan onder meer de legendarische muzikant Tom Waits en filmgrootheid Terry Gilliam hun stemmen leenden. Na het intiem-persoonlijke en duistere Jona/Tomberry was The Monster of Nix een doelbewust lichter werk – binnen de marges van wat ‘lichter’ betekent in de duisternis van Rosto’s werk. Het was ook het eerste werk waarvoor hij niet alleen zijn ­eigen muze volgde: The Monster of Nix werd meebedacht door Rosto’s zoon Max, zes jaar oud bij de start van de productie en volgens Rosto zelf de grootste expert op het ­gebied van zijn uitdijende universum.

In zekere zin heeft Rosto zijn gedroomde speelfilm stiekem toch gemaakt. Als je de korte films die hij sinds 1999 maakte achter elkaar zet, kom je op pakweg 100 minuten film – speelfilmlengte. En omdat alles ongefilterd uit ­dezelfde geest voortkomt, vormen die 100 minuten een ­uitermate coherent geheel.

Als je een beetje met je ogen knijpt is er is zelfs iets van een klassieke drie-aktenstructuur in te ontwaren – behalve dat de aktes soms een stuk overlappen. De cyclus van Mind My Gap levert de introductie – van de locaties, personages en thema’s van Rosto’s unieke universum. The Monster of Nix is het kantelpunt, de confrontatie, met een andere verteller en een ander leven. En de vier korte films van Thee Wreckers Tetralogy leveren nu de ontknoping.

Zo heeft het oeuvre van Rosto als geheel genomen iets dat de losse delen altijd vakkundig leken te vermijden: een verhaal met een kop en een staart. Maar dan wel een kop die zichzelf in de staart bijt. Het begint bij het einde, en het einde is toch weer een nieuw begin.

Recensie Thee ­Wreckers Tetralogy

Door Joost Broeren-Huitenga

De volstrekt unieke films van Rosto zijn ­tegelijkertijd volkomen cryptisch en volstrekt helder. Zo ook weer met de Thee ­Wreckers Tetralogy, een vierluik korte films dat vooral associatief samenhangt. Elke film is opgebouwd rond een song van de band Thee Wreckers, en de bandleden zelf figureren ook in alle vier de films – maar dan als vervormde, geanimeerde figuren.

Elke film staat op zichzelf, voor zover ze al een sluitend verhaal vertellen. Meestal ­begint de ene film waar de vorige eindigde, maar niet door het verhaal verder op te pakken. Wel door de droomlogica door te zetten, of door aan de haal te gaan met een ­bepaald symbool – een alziend oog, een spiegel in scherven.

De vier films draaiden eerder los van ­elkaar op festivals, en worden nu gezamenlijk vertoond samen met de twintig minuten lange documentaire Everything’s Different, Nothing Has Changed van Joao Costa en ­Robert Gradisen. Die geeft een mooi inzicht in het maakproces, maar doet gelukkig verder geen poging om de inhoud te verhelderen.

Dat zou alleen maar in de weg zitten: de vier films laten zich beter ondergaan dan begrijpen. In No Place Like Home (2008) kijkt een voormalig tv-presentator met zijn dode sidekick naar herhalingen van zijn ­eigen show. In Lonely Bones (2013) slaat hij vervolgens op de vlucht in een onderwereld die ook zomaar een filmset zou kunnen zijn. Thee Wreckers worden in Splintertime (2015) gepromoveerd tot hoofdpersonen, die in een demonische ambulance rondracen in een leeg landschap.

Het culmineert in het hoogtepunt – van dit vierluik en misschien wel van Rosto’s hele oeuvre. Reruns (2018) is het meest persoonlijke werk van de vorig jaar overleden maker. Een van de ingrediënten van zijn zoals ­gebruikelijk zeer eclectische mix van stijlen en invloeden is hier 8mm-filmmateriaal van hemzelf als kind, geschoten door zijn vader. De film onderzoekt de relatie tussen Rosto en zijn vele filmische alter ego’s. Hier worden alle draadjes aan elkaar geknoopt, tot een onontwarbare kluwen van heden en verleden, droom en fictie, herinnering en (misschien een heel klein beetje) realiteit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden