PlusReportage

Het eerste liveconcert sinds maanden: ‘Krankzinnig, die lege zaal’

In het Concertgebouw luisterde Paroolverslaggever Erik Voermans dit weekeinde voor het eerst in maanden naar livemuziek.

Het Concert­gebouworkest o.l.v. Gustavo Gimeno speelt de Achtste symfonie van Dvorák.Beeld Peter Tollenaar

“Zou u uw handen willen ontsmetten!” zegt een man streng als ik bij het binnenlopen van het Concertgebouw, via de draaideur, de dispenser met desinfecterende vloeistof finaal over het hoofd zie. “Neem me niet kwalijk,” zeg ik, terwijl ik het plukje mensen in ogenschouw neem dat in de lobby al staat te wachten op wat komen gaat. Het gezelschap groeit uit tot dertig man, het maximum aantal dat momenteel bij een concert aanwezig mag zijn. Straks zal het Concertgebouworkest de Achtste symfonie van Dvorák spelen, onder leiding van Gustavo ­Gimeno, voormalig slagwerker van het orkest, die zich nu geweldig aan het ontwikkelen is als dirigent (hij is chef in Luxemburg en Toronto.)

De dertig man zijn bestuurs- en stafleden en een handjevol muziekjournalisten. Ik stel vast dat ik de enige ben die een mondkapje draagt.

“Je ziet er potsierlijk uit,” zegt een vriendelijke collega. “Ik weet het,” zeg ik, “maar ik draag dat ding niet voor mijn eigen lol, maar om te voorkomen dat jij straks onder gruwelijke omstandigheden het loodje legt. Ik kies ervoor mijn verantwoordelijkheid te nemen.” Ja, ik hamer het er echt even in.

Krankzinnige aanblik

David Bazen, de algemeen directeur ad interim van het KCO, vertelt dat ze vorige week in de zaal hebben proefgedraaid met het orkest onder ­Gimeno met Beethovens Zevende symfonie, die op het eigen YouTubekanaal werd gestreamd. Dat ging zo goed dat ze nu in afstemming met de GGD dertig man publiek toelaten. Hij benadrukt dat het orkest nu eenmaal moet spelen, want ‘onze musici kunnen hun werk niet vanuit huis verrichten’. Ze gaan elke week een concert streamen. Volgende week met Ton Koopman in een barokprogramma, met blokfluitiste Lucie Horsch als debutant, 19 juni Tsjaikovski’s Vijfde symfonie onder Bychkov en de week daarna een dirigeermasterclass met Iván Fischer.

Ik begrijp dat afstand houden voor de musici een serieus probleem is, vooral voor de blazers, die als één lichaam moeten ademen. “Je hoort elkaar onder normale omstandigheden al slecht op het podium, maar nu voelt het alsof iedereen solo zit te spelen,” zegt de directeur.

Ik mag naar binnen. In ganzenpas gaan we de trappen op. We moeten op de zijbalkons plaatsnemen. De benedenzaal blijft leeg. Ik beland ­boven de cartouche van Röntgen. Het uitzicht op de musici is heel anders dan vanaf mijn ­gebruikelijke rij 15 beneden. Goedbeschouwd is het een krankzinnige aanblik, die lege zaal. De trompettisten en trombonisten zitten rechts naast het orgel op plekken waar onder normale omstandigheden publiek zou hebben gezeten. Nu zijn daar tien rijen stoelen weggehaald om te ­kunnen waarborgen dat er voldoende afstand is tussen de koperblazers en strijkers voor hen. Een meter of acht, zo te zien.

Als Vesko Eschkenazy, de concertmeester, gaat staan om de hoboïst uit te nodigen de stemtoon te spelen, voel ik ontroering. Lang niet ­gehoord, dat geluid. Dit wordt mijn eerste liveconcert sinds maanden. Als het orkest gestemd is, daalt de stilte neer. Het wordt zo stil dat de musici er giechelig van worden. Ik heb het gevoel dat ik in een film van Tarkovski ben beland. Alles is anders dan normaal.

Sfeerloos

Als Gimeno de bühne betreedt via een speciale trap aan de voorkant, beginnen de aanwezigen te klappen. Je kunt elk paar handen afzonderlijk horen. De vervreemding neemt toe als het ­orkest ­begint te spelen. Door de akoestiek van de lege zaal en de andere luisterplek is de klank volledig anders. Bijna schonkig. Het concert is ook zo sfeerloos dat ik er amper van kan genieten, al ben ik verbijsterd door het spelniveau van de musici. Aan niets is te merken dat ze iets hoogst ongewoons doen.

Het tweede concert van het weekeinde is een optreden van Cappella Amsterdam, het Orkest van de 18de Eeuw en blokfluitiste Lucie Horsch in het Muziekgebouw. Horsch krijgt uit handen van Cultuurminister Van Engelshoven de ­Nederlandse Muziekprijs uitgereikt. De laureate geeft een vlammend dankwoord, waarin ze haar verbazing uitspreekt over de adviezen van de Raad voor Cultuur. “Om mee te draaien in de kunstwereld moeten musici zichzelf verloochenen,” zegt ze over de eisen waaraan kunstenaars moeten voldoen voor subsidie. “Pas als iedereen zichzelf kan zijn, is er werkelijk sprake van een divers cultureel landschap.”

Pijnlijk

Net zo raak en sterk zijn haar uitvoeringen van Louis Andriessens Sweet, voor blokfluit en elektronica, en van Bachs Concert in D, een hybridische ­bewerking van Frans Brüggen op basis van meerdere Bachstukken. De dertig man op de tribune klappen en juichen, zoals ze dat ook doen voor het Orkest van de 18de Eeuw, dat de zielen streelt met Scheidts Pavane, een arrangement van Bachs Musikalisches Opfer en de Sarabande uit Andriessens Miserere. Schitterend, allemaal. Hier kreeg ik wel het gevoel van een echt concert, misschien door de relatieve intimiteit van de zaal in het Muziekgebouw.

Daarvóór luisterden we in de kleine zaal naar Cappella Amsterdam, dat zonder publiek in de zaal werken zingt van opnieuw Andriessen (Un beau baiser), Frans en tonaal van aard, Lassus, Josquin Desprez en Rheinberger.

Het concert wordt gestreamd op 14 juni, als enige liveonderdeel van het Holland Festival 2020. “Dat voelt pijnlijk,” zei directeur Ansenk vooraf, die ook meldt dat de wereldpremière van Louis Andriessens May vanwege de coronacrisis niet door kon gaan.

Bitter/Sweet was het thema van de avond. ­Bitterzoet, zeg dat wel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden