Het Amsterdam van Bril is ons Amsterdam

Als Bril op dreef was, en dat was hij vaak, werd je een wereld binnengevoerd die helemaal van hem was, maar ook helemaal van ons. Dat is een effect dat alleen zeer goede schrijvers bereiken. Het Amsterdam van Carmiggelt was het Amsterdam van iedereen. Dat dacht iedereen, doordat Carmiggelt zo'n groot verhalend en stilistisch vermogen had. Zo ook is het Amsterdam van Martin Bril het Amsterdam van iedereen.

Maar het Amsterdam van Bril is preciezer dan dat van Carmiggelt. Als je zijn stukjes naast elkaar legt, heb je een plattegrond van de stad. Je weet altijd precies waar je bent, behalve als hij het over zijn eigen straat heeft, om reden van privacy.

Bril rijdt zijn dochtertje naar school: 'We reden zwijgend door de Cornelis Schuytstraat en sloegen op het pleintje rechtsaf de Johannes Verhulststraat in. Aan het einde, bij Albert Heijn, kwamen we een jongen tegen met een grote hanenkam.

Hij droeg een broek die vele maten te groot was, en - zo bleek toen we hem voorbij waren - een hondenriem om de de dunne hals.' De jongen blijkt een schoolgenoot te zijn. 'We staken de De Lairessestraat over en kwamen bij school. Ik mocht niet het schoolplein op en een kus kon er ook niet meer af. In de verte zag ik de punker uit groep acht lopen. Hij kwam onze kant op. Het sjokken had hij nog niet onder de knie. Hij liep als een keurige jongen. Ik vond het dapper.'

Bril zoomt ook meer dan Carmiggelt in op details. Dat schrijven over bijna niets - een merel in de achtertuin, de voeten van Hillary Clinton als ze zit, een accu aan de rand van de stoep - beheerste hij als geen ander. Dingen waar vrijwel iedereen gedachteloos aan voorbijgaat, werden door hem bezield. Daarvoor zijn nodig observatievermogen, ook van de eigen gemoedsbewegingen, en stijl. Hij observeert en knoopt er algemene gedachten aan, alles genoteerd in die laconieke, improviserende stijl - zelfs een chemokuur wordt opgetild tot een bijna luchtig niveau.

Des te indrukwekkender wordt het als hij een keer die luchtigheid laat varen: 'Er is geen zak aan om kanker te hebben.' Dat stukje Kanker eindigt hij met: 'En dus gaan we door met waar we mee bezig waren: het grote koffiedik-kijken, het wachten op een wonder. Buiten hoor ik de wind aantrekken. Wat fijne maartse buien kan ik ook wel gebruiken.' Dat slotzinnetje neemt iets van de zwaarte weg. Het is toch weer laconiek.

Als mensen in beeld komen, ziet Bril vaak strijd, schitterende scènes tussen mannen en vrouwen. Die lopen vaak verkeerd af, maar hij beschrijft ze met verdekte humor en een moeilijk te definiëren warmte. Hij oordeelt zelden. Zijn tirade tegen draaiorgels en draaiorgelmannen is waarschijnlijk het enige werkelijk vileine stukje dat hij geschreven heeft.

En kijk eens naar zijn krachtige beginzinnen en geïmproviseerde slotzinnen. Deze beginzin: 'Het was donker in de Van Eeghenstraat.' Of: 'De buurman heeft een motorfiets.' En deze slotzin: 'In de Utrechtsestraat rinkelde een tram die al heel lang achter een lossende vrachtwagen stond.'

Of (in een ontroerend verhaal over een oude vergeetachige mevrouw): 'Zo begon mijn dag, en de dag van mevrouw Schwartz, want zo heette ze, zag ik op het naambordje naast de bel toen ik haar voordeur zachtjes achter me sloot.'

In de verhalen waarin zijn kinderen optreden, een gevaarlijk genre dat gemakkelijk afglijdt naar sentimentaliteit en borstklopperij, vermijdt Bril alle klefheid. Prachtig is het stuk over een kortstondig verblijf in Parijs met zijn dochter. Ze zijn op doorreis en hebben anderhalf uur overstaptijd. En ze gaan eten, hoewel hij daar een beetje zenuwachtig van wordt. Maar ze halen het, met een taxi. Hij beschrijft dat zo goed, met zijn dochter als leading lady, dat je volkomen accepteert dat hij tot slot schrijft: ' ''Dat hebben we goed gedaan, pap," zei mijn dochter toen we achter in de auto zaten. Ze stootte me vrolijk aan, en inderdaad: we hebben het goed gedaan.'

Martin Bril schreef eens enthousiast over de muziek van trompettist Eric Vloeimans: muziek die gemaakt wordt 'door intelligente mensen die enerzijds een hang naar schoonheid hebben (de eerste dure plicht van iemand met artistiek talent) en anderzijds niet in ernst verloren willen gaan (die tweede plicht van groot talent).' Als je een paar woorden vervangt, gaat die zin over Bril zelf. (JOS BLOEMKOLK)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden