PlusGeschiedenis

Gewaardeerde zeelieden: de VOC nam geregeld Chinese matrozen in dienst

Chinese zeelieden in het Pietersgasthuis, door Jacob de Vos Willemsz., 1793. Beeld Rijksmuseum
Chinese zeelieden in het Pietersgasthuis, door Jacob de Vos Willemsz., 1793.Beeld Rijksmuseum

Twee mannen liggen te slapen, eentje kookt een potje, anderen eten of roken. Ze hebben lange staarten en dragen platte hoeden. Jacob de Vos Willemsz. tekende in 1793 een gezelschap Chinezen in het Pietersgasthuis. Wat deden zij daar?

Koen Kleijn

In 1793 bracht de VOC een flinke groep matrozen onder in een van de zalen van het Sint Pietersgasthuis. Dat deed de compagnie wel vaker als zeelui die uit de Oost waren aangekomen een tijdje moesten wachten op een schip voor hun terugreis. Maar nu was er iets bijzonders aan de hand: dit waren Chinese matrozen. Amateurkunstenaar Jacob de Vos Willemsz., 19 jaar oud, maakte een aquarel van het gezelschap. Hij noteerde op de achterkant: ‘Bij gelegenheid dat er in het Gasthuis te Amst Chineezen, met een Oost-Indisch schip aangekomen, gelogeerd waaren.’

De Vos Willemsz. was een ontwikkelde en enthousiaste jongeman, die zijn brood verdiende als verzekeringsmakelaar. Alles wat ‘nieuw’ was had zijn grote interesse: wetenschap, techniek, economie, literatuur, filosofie en vooral de kunsten. Hij volgde lessen aan de Stadstekenacademie en bij de afdeling tekenkunde van de Maatschappij Felix Meritis, en was lid van het Haarlemse patriottische dichtgenootschap Democriet. In 1816 werd hij secretaris van de afdeling kunsten van het Koninklijk Instituut van Wetenschap, Letteren en Schone Kunsten; hij eindigde als directeur van de Maatschappij tot Bevordering van Beeldende Kunsten te Amsterdam.

Portret van Jacob de Vos Willemsz. (1774-1844) in een landschap.  Beeld Rijksmuseum
Portret van Jacob de Vos Willemsz. (1774-1844) in een landschap.Beeld Rijksmuseum

Een buitenkans

De Vos Willemsz. kon opvallend goed tekenen en aquarelleren. Hij werd later bekend van zijn verzameling dagboekjes, die hij van 1803 tot 1809 bijhield, met honderden tekeningen van zijn zoons Willem, Gerrit, Jacob en Christiaan.

De door De Vos Willemsz. geportretteerde Chinese zeelui verbleven in een zaal van het Sint-Pietersgasthuis, het huidige Binnengasthuisterrein. Maar ze waren niet ziek. Uit Indië aangekomen wachtten ze op een schip waarmee ze konden terugkeren. Zoveel Chinezen bij elkaar, dat was voor de geïnteresseerde De Vos Willemsz. een buitenkans.

De aandacht van De Vos Willemsz. werd getrokken door de grote platte hoeden van de mannen, hun lange paardenstaarten en geschoren voorhoofden. Hij tekende nauwkeurig hoe een van hen met stokjes uit een kom eet. Er is geen zweem van romantisering van het ‘exotische’ of het ‘vreemde’. De indruk is duidelijk van stevige matrozen die niets te doen hebben en wachten op betere berichten.

De Chinese zeelieden verbleven in een ruime zaal, met rode en zwarte tegels en een grote schoorsteen. Er wordt een potje gekookt en er hangt was te drogen. In een hoek liggen twee mannen te slapen op schuine bedden; in de andere hoek liggen plunjebalen opgetast, of misschien is het beddengoed dat tijdelijk is opgerold.

Het binnenplein van het Buitengasthuis (voormalig Pesthuis) nabij de Overtoom.  Beeld Stadsarchief
Het binnenplein van het Buitengasthuis (voormalig Pesthuis) nabij de Overtoom.Beeld Stadsarchief

De Vos Willemsz. tekende de Chinezen met grote nieuwsgierigheid, maar ook met overduidelijk respect. Van zijn vader had hij een specifiek idee over nauwkeurig ‘waarnemen’ meegekregen als ‘de ziel’ van kunst en wetenschap. Het typeerde hem dat hij met Hendrik jonkheer Six van Hillegom al in 1839 in Parijs een fototoestel van Louis Daguerre kocht, kort nadat deze pionier van de fotografie zijn uitvinding voor het eerst had gepubliceerd. Ze deden er in Amsterdam ‘welgelukte proeven’ mee. Na de dood van De Vos Willemsz. schonk Six het toestel aan de Maatschappij Felix Meritis.

Dankzij Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC van Roelof van Gelder weten we vrij precies wanneer De Vos Willemsz. de Chinese zeelieden gezien heeft. Het laatste VOC-retourschip dat uit Azië vertrok, De Resolutie onder kapitein Daniel Hendriks, kwam in juli 1793 in Amsterdam aan. Het lijkt waarschijnlijk dat deze matrozen met dit schip zijn aangekomen.

Personeelsproblemen

Er wordt wel verondersteld dat de achteruitgang van de VOC in de tweede helft van de 18de eeuw mede zijn oorzaak vond in personeelsproblemen. De VOC kon te weinig Europese schepelingen rekruteren en moest haar toevlucht nemen tot Aziaten, ‘als een noodzakelijk kwaad’. Het is waar dat bestuurders in Indië al vroeg klaagden over ‘de schaersheyt van Europische manschap’ en het is ook zo dat de positie van de VOC in de Aziatische handel in de laatste decennia van de 18de eeuw onder druk stond. De Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) had bijvoorbeeld de belangrijke handel op India een flinke slag toegebracht.

Maar met schaarste aan Europese zeelui had dat weinig te maken. Matthias van Rossum onderzocht de Generale Zeemonsterrollen van de VOC, de lijsten die een jaarlijks overzicht van de schepen en de ingehuurde opvarenden geven. In de jaren dertig en veertig van de 17de eeuw maakte de VOC al regelmatig gebruik van gemengde bemanningen, bestaande uit Europese en vele tientallen Chinese, Javaanse of ‘swarte’ (Bengaalse) zeelieden. In 1785 vermeldden de Zeemonsterrollen in totaal 816 Aziatische zeelieden.

Intocht van de derde divisie infanterie te Hasselt. Beeld Stadsarchief
Intocht van de derde divisie infanterie te Hasselt.Beeld Stadsarchief

Verrassend is dat niet: de VOC was een multinationaal bedrijf dat op zijn hoogtepunt in het oostelijk deel van de wereld zo’n 300 steunpunten en vertegenwoordigingen had, van de oostkust van Afrika tot Japan. Het werven van ervaren zeelieden op de Aziatische arbeidsmarkt was geen zwakte, maar eerder een kracht. De waardering voor hun kwaliteit en betrouwbaarheid blijkt ook uit hun salaris: Aziatische matrozen verdienden min of meer hetzelfde als Europese. Zij dienden de compagnie zowel op de inter-Aziatische vaart als op de vaart naar Europa. De Chinezen die De Vos in Amsterdam portretteerde waren dus geen exotische uitzonderingen, maar gewone, volwaardige werknemers.

1795

In september en november 1793 vertrokken er nog twee VOC-schepen uit Amsterdam naar Batavia. Twee jaar later raakten Nederland en Groot-Brittannië met elkaar in oorlog. Er vertrokken geen VOC-schepen meer naar Batavia, uit angst dat de Britten die zou opbrengen. Pas na 1813 kwam de vaart vanuit Nederland naar Batavia en van Batavia naar Nederland weer opgang. Toen was de VOC allang ter ziele.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden