Plus Boekrecensie

Gedichten van Erik Jan Harmens over aftakeling én (levens)lust

‘Kom’ staat op het titelblad van de nieuwe dichtbundel van Erik Jan Harmens. Bedoelt hij ‘ik kom’, staat de ‘k’ voor de ziekte met de k, of is er sprake van een stotter, een hapering? Is ‘komen’ een beweging van veraf naar dichtbij of verwijst het naar een orgasme? Het is allemaal mogelijk in Kom, waarin Harmens dicht over ziekte en liefde; de confrontatie met een kapot én verlangend lichaam.

Typisch Harmens om te openen met het motto ‘i’m a ho/you know i’m a ho/how do you know/because i told you so’ van Whodini. Het is dezelfde soort logica die je in zijn gedichten terugziet. Het openingsgedicht luidt bijvoorbeeld: ‘JE/ was er// ik/ wenste/ je weg// je/ was weg// ik/ wenste/je hier.’ Om te besluiten met: ‘je kunt niet/ blijven wensen.’ De poëzie van Harmens laat zich kenmerken door zijn afgemeten taalgebruik; een beetje ‘robotesk’ en ‘blafferig’, net zoals zijn weergaloze performances.

Kom is misschien wel zijn meest uitgebeende bundel ooit. De zinnen zijn opgehakt, kort en hard, hij gebruikt geen interpunctie en hij combineert verschillende taalregisters, zoals straattaal (‘fak’), medische begrippen (‘maligne melanomen’), namen van bergen (‘gasherbrum’) en zelfverzonnen woorden (‘gilgamejeske’), wat een vervreemdende uitwerking heeft. 

De gedichten zitten vol verwijzingen, zoals naar de (totaal) witte kamer van Gerrit Kouwenaar die ordinair ‘blauwgesausd’ is. Hier en daar reduceert Harmens woorden tot letters: haar is ‘r’ en het woord kanker is ‘k’. Ook gebruikt hij consequent ‘me’ als bijvoeglijk voornaamwoord, wat in principe ergerlijk is, maar in deze rauwe context past. Zijn zinnen zijn doorspekt met (binnen)rijm.

‘(..)om dit te schrijven/ moest me moeder/ eerst dood,’ zegt een verteller in een van de gedichten waarin hij zichzelf beschrijft als ‘lifeguard en ook drenkeling’; een concrete zin in een bundel waarin weinig wordt geëxpliciteerd. Wel weet de lezer dat er sprake is van een hoop ellende.

De verteller is ook nog ziek (‘me plas is mijndonker’). Hij worstelt met doodsangst en een verliefdheid. Tegelijkertijd is hij bloedgeil (‘boem­tjak me buiten adem’). Aftakeling en (levens)lust zijn in een strijd verwikkeld. Soms lijken de gedichten bezweringen of gebeden.

Juist door het grimmige gevoel voor humor, het eigenzinnige afgemeten taalgebruik, voortkomend uit Harmens weerzin jegens emotioneel beladen (grote) woorden, doet Kom denken aan een schreeuw vanonder een geluidsdichte stolp; een beeld waarvan je je maar moeilijk losrukt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden