PlusAchtergrond

Galeriehouder Harry Ruhé: altijd op jacht naar kunst die opwindt

Harry Ruhé ademt, eet en leeft avant-gardekunst. De verzamelaar en galeriehouder laat een halve eeuw aan kunstenaarsbrieven, vintage fotografie en uitnodigingen zien in vier tentoonstellingen.

Jürgen Klauke, Viva España, 1976/78.Beeld Harry Ruhé

Harry Ruhé (1947) was er vroeg bij als verzamelaar. Als 12-jarig jochie bleef zijn oog aan een krantenartikel over Jaap Wagemaker hangen en besloot hij de kunstenaar op te bellen. Het was 1959, Wagemaker had net een solo gehad in het Stedelijk Museum en zijn robuuste materieschilderijen sloegen ook internationaal aan.

En ja hoor, Ruhé mocht langskomen, kreeg zelfs een gesigneerde litho. Hij keerde drie jaar later terug met het toen astronomische bedrag van 1000 gulden, dat hij bij elkaar had gespaard met weekendwerk in zijn vaders restaurant en als bijrijder van de lokale schillenboer. “Ik heb die litho nog steeds,” zegt Ruhé, “maar het schilderij dat ik uitzocht heb ik later verkocht om een werk van Christo te bekostigen.”

Onstuimige kunstliefde

Het contact met Wagemaker markeerde het begin van een levenslange en onstuimige kunstliefde, waar Ruhé nu een maandlang met vier tentoonstellingen indirect verslag van doet. “Ik kom uit een gezin met tien kinderen, dus veel geld was er niet. Ik stopte alles wat ik spaarde in kunst. Het objectmatige interesseerde me, ik wilde me met kunst omringen. Ik was vanaf het begin redelijk breed geïnteresseerd en keek overal rond. Je zoekt wat bij je past.”

Dat bleek in het geval Ruhé vooral de conceptuele kunst vanaf de jaren zestig te zijn: mail art, minimal art, concrete poëzie, no art en vooral Fluxus. Over laatstgenoemde stroming maakte Ruhé vele publicaties en hij geldt internationaal als groot kenner. Conservatoren uit de hele wereld – onlangs nog een delegatie van het MoMA uit New York – bellen aan bij zijn woning in Amsterdam-Zuid om zijn documentatie te raadplegen en stukken uit zijn collectie te lenen. Zelf heeft die gastvrijheid vele malen ondervonden. Bijvoorbeeld bij tandarts en verzamelaar Hanns Sohm uit Zuid-Duitsland. “Die had een enorm archief over body art en performancekunst en daar liet hij me rustig dagenlang in grasduinen.”

Woest gehavende brieven

Behalve met collega-verzamelaars onderhield Ruhé ook contact met kunstenaars. Onder de titel Dear Harry toont hij honderd brieven uit zijn omvangrijke correspondentie. Er zitten kattenbelletjes en zakelijke epistels bij van Gerhard Richter, Carl André en Daniel Buren. Karel Appel antwoordde heel vriendelijk maar om duistere redenen in het Engels. Daniel Spoerri’s woest gehavende brieven lijken op zijn assemblages van ontspoorde bacchanalen. 

En dichter Simon Vinkenoog oreert er vijf kantjes lang lustig op los en illustreert zijn woorden met pentekeningen. “Als je een kunstenaarsboek of print wilde, moest je de kunstenaar zelf benaderen. Er waren nog geen distributiekanalen. En iedereen had nog tijd om brieven te schrijven. Tegenwoordig krijg je een mailtje van een galeriehouder of assistent, als je al antwoord krijgt. Anderzijds is er nu veel meer informatie voorhanden en weten mensen meer, vooral door internet. Vroeger moest je meer moeite doen.”

Nicola De Maria, Pezzi di Ricambio, 1975.Beeld Harry Ruhé

In plaats van te surfen langs online veilingen en galeriesites moest Ruhé eropuit. Hij reisde veel naar Duitsland, maar ook Oost-Europa en de Verenigde Staten waren favoriete bestemmingen in de jacht op ‘kunst waar ik opgewonden van raak’. Comfort werd daarbij met graagte opgeofferd voor het hogere doel. “Ik heb een keer in Berlijn in een plantsoen geslapen om 30 Deutsche Mark uit te sparen en een grammofoonplaat te kunnen kopen.”

Het idee een editie van Arnulf Rainer in Nederland te distribueren, bracht hem op het idee kunst te gaan vertonen. In een pand aan de voet van de Magere Brug begon hij in 1975 Galerie A. “Drie jaar later kraakte ik met vrienden de portierswoning van het voormalige huis van bewaring naast De Balie. Daar heb ik drie maanden lang iedere week iets georganiseerd: film, muziek, een installatie van Thom Puckey, een mail­artproject van Ulises Carrión, waarbij een aantal mensen vanuit Brazilië spullen toegezonden kregen. En ik maakte tentoonstellingen.”

Het verkoopbare kunstaanbod bestond grotendeels uit werk in oplage. “Dat was relatief goedkoop. Er bestond nog geen kunstmarkt met grote namen en enorme prijzen. Ik kocht wat ik mooi vond. Pas later ben ik meerdere exemplaren van werken gaan kopen: één voor mezelf en de rest om te verkopen of ruilen.”

Prachtig handwerk

Behalve multiples verzamelt Ruhé uitnodigingen. “Vaak prachtig handwerk, dat door de meeste mensen wordt weggegooid. Vooral Günter Brus, de radicaalste van de Weense Aktionisten, maakte geweldige potloodtekeningen die later in offset werden geprint. Voor Direct Art Happening in 1967 maakte hij maar liefst vijftien verschillende flyers.”

Het is drukwerk dat door Amerikaanse veilinghuizen op de markt wordt gebracht als ‘ephemera’: artefacten met een beperkte houdbaarheid. “Maar eigenlijk zijn het autonome werken,” vindt Ruhé. “Net als veel fotografie uit die tijd. Foto’s werden toen vooral gebruikt om performances te documenteren en werden niet in groot formaat aan de wand gehangen vergelijkbaar met schilderijen. Je kon ze kopen voor een paar dollar, nu worden ze erkend als kunst.”

Gilbert & George, Untitled, 1971.Beeld Harry Ruhé

This Way Brouwn, de foto’s, 3-10/8

Günter Brus, Die Einladung, 10-17/8

Dear Harry, 100 kunstenaarsbrieven, 17-24/8

Vintage, performancefotografie, 24-31/8

De exposities zijn te zien op Hemonylaan 6a.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden