Plus

Frits van Exter: 'De haat tegen journalisten is best oppervlakkig'

Frits van Exter staat sinds vorig jaar aan het hoofd van de Raad voor de Journalistiek. Pessimistisch is hij niet over het voortbestaan van zijn vak. 'Het is geen straf in deze tijd journalist te mogen zijn.'

Frits van Exter: 'Jonge lezers vinden het ook normaal om te betalen voor Spotify, iTunes of Netflix. Dat zijn voorzichtige lichtpuntjes.' Beeld Martin Dijkstra

'Journalistiek is een dienstbaar beroep. Het gaat er niet om dat je de sterren van de hemel schrijft en je moeder elke dag belt om te zeggen dat het weer zo'n mooi stuk is geworden, het gaat erom dat de lezer waardevolle informatie krijgt," zegt Frits van Exter (62).

Zijn zachte timbre en de afgewogen dictie contrasteren met de absolute termen en passie waarmee hij over zijn vak praat. Over de noodzaak van transparantie, het einde van het 'meningenpagina' of de 'terugkeer van de waarheid'. "Het is onze plicht om de waarheid bloot te leggen," zegt hij dan.

Van Exter weet waar hij het over heeft: al veertig jaar is hij journalist, negen jaar was hij hoofdredacteur van Trouw, een kleine acht jaar van Vrij Nederland. Bij dat blad vertrok hij in zijn eigen woorden 'niet met een bos bloemen en een liedje', maar daarover later meer. Er zijn gewichtiger zaken te bespreken. Het voortbestaan van de journalistiek bijvoorbeeld.

Van Exter is lang niet alleen maar pessimistisch. "Het is geen straf om in deze tijd journalist te mogen zijn. In het vak is heel veel vernieuwing gaande: met nieuwe technologische middelen kun je eenvoudiger dan ooit informatie boven water halen en analyseren, internationaal wordt steeds meer samengewerkt en er is een heel nieuwe wereld van mensen die experimenteren met video, podcasts, virtual reality en storytelling."

"Het wezen van het vak is aan het veranderen, het is niet meer genoeg om een paar vragen te stellen en daar dan een puntig stukje van te maken. Journalisten moeten van alle markten thuis zijn."

Tegelijkertijd gaat het economisch niet goed.
"Het verdienmodel van traditionele media staat al jaren onder druk. Bijna de helft van de advertentie-inkomsten in de wereld gaat naar Facebook en Google; dat is zo'n gigantische ontwrichting van het klassieke verdienmodel van media."

Komt dat ooit nog goed?
"Veel media dachten dat als ze alles gratis op hun site zetten de adverteerders vanzelf wel terug zouden komen. Alles was erop gericht een zo groot mogelijk bereik te krijgen. Die strategie heeft nooit gewerkt en zal ook nooit gaan werken."

"Adverteerders zullen relevante doelgroepen altijd veel beter kunnen bereiken via Google en Facebook dan via de websites van kranten. Je ziet dat mediabedrijven een voor een terugkomen van het idee dat ze al hun content gratis moeten weggeven. Het wordt weer normaal om mensen te laten betalen voor nieuws."

"Kranten zetten hun betaalhekken steviger neer, Blendle is een relatief succes en De Correspondent weet met een ledenmodel relatief jonge lezers aan zich te binden. Die generatie vindt het ook heel normaal om te betalen voor Spotify, iTunes of Netflix. Dat zijn allemaal voorzichtige lichtpuntjes."

Ziet u ook een inhoudelijke verandering?
"De afgelopen vijftien jaar is de toon in de Nederlandse media heel sterk bepaald door meningmakers. Iedere journalist werd geacht zelf een mening te hebben over de multiculturele samenleving, het islamdebat of de klimaatcrisis. De ruimte voor klassieke, inhoudelijke journalistiek werd steeds kleiner, terwijl het aantal columnisten en rubrieken maar bleef toenemen."

"Daar lijken we van terug te komen, mede dankzij Donald Trump. Die toon is gezet door The New York Times en de Washington Post, die terecht zeiden: we gaan hem zo hard mogelijk aanpakken, maar wel op basis van feiten. Dus hebben ze geïnvesteerd in de politieke redactie en zijn ze zich gaan toeleggen op dat waartoe journalisten op aarde zijn: informatie over ingewikkelde onderwerpen boven water krijgen en die zo goed mogelijk uitleggen aan lezers."

Doen feiten er nog wel toe?
"Ja, ook al is de waarheid een ingewikkeld filosofisch begrip en slaagt Trump erin het wantrouwen tegen de media steeds verder aan te wakkeren. Dat is verontrustend."

Mensen hebben een grotere hekel aan journalisten dan aan politici.
"Die haat is best oppervlakkig. Als Nieuwsuur aantoont wat het ministerie van Veiligheid en Justitie deed met de Teevendeal, of als Peter R. de Vries een moordzaak oplost, vinden mensen dat prachtig."

"Het wantrouwen tegen media komt voort uit onwetendheid, wat weer te maken heeft met de geslotenheid van ons wereldje. Heel lang hebben wij de lezer of de kijker verwaarloosd. Toen ik eind jaren zeventig bij Trouw begon, werd de lezer maar als lastig gezien. In die tijd schreef je wat je zelf belangrijk vond en de lezer had dat maar te slikken, ook als het een tiendelige serie over landbouwhervormingen in Guatemala was."

"Inmiddels luisteren we veel beter naar de wensen van de lezer. Dat betekent niet dat je je ondergeschikt maakt aan zijn oordelen of hem naar de mond praat, maar wel dat je je als journalist probeert te verplaatsen in de lezer."

Hoe deed u dat bij Trouw?
"Ik werd hoofdredacteur zonder dat ik de juiste geloofspapieren had. Daar had het stichtingsbestuur onder leiding van Wim Deetman moeite mee, en ik had het aanvankelijk ook best moeilijk met het onderscheid tussen al die verschillende clubjes binnen de kerk."

"Pas toen ik hoofdredacteur was, ontdekte ik de lezers echt. Die belichaamden het mooiste van het calvinisme: vrij nuchter, betrokken en ze betaalden hun abonnementsgeld op tijd. Sommigen waren ouder, heel behoudend en protestant, maar er waren ook jongere lezers voor wie de kerk als instituut minder vanzelfsprekend was."

"We worstelden met de identiteit van de krant, met name met onze kerkpagina. Toen hebben we De Verdieping geïntroduceerd, een dagelijks katern waar aandacht was voor religie en filosofie. Dat was voor Trouw revolutionair: we gingen ons meer richten op levensbeschouwing in de brede zin van het woord en minder op de kerk."

Qua cultuur en achtergrond kon het verschil met Vrij Nederland nauwelijks groter zijn.
"Qua werk was het ook anders: Trouw was toch een soort fabriek, met 120 tot 130 mensen die dagelijks een krant maken, bij Vrij Nederland deden we het met zo'n 18 mensen en veel freelancers. De mogelijkheden om mooie journalistiek te bedrijven waren onbegrensd: we maakten lange reportages, grote interviews, prachtige fotografie, het voelde soms als een journalistieke snoepwinkel. Alleen wel eentje met een kassa waarvan de bodem in zicht was."

Cv

Geboren
Amsterdam, 30 mei 1955

Opleiding
School voor Journalistiek, Utrecht

Loopbaan

1978-2007: Trouw (vanaf 1998 hoofdredacteur)
2008-2016: Vrij Nederland, hoofdredacteur
2016: zelfstandig journalist, voorzitter Raad voor Journalistiek

Omarmde Vrij Nederland de innovaties die u eerder in dit gesprek opsomde wel voldoende?
"Misschien niet. Alles was gericht op het in de lucht houden van het weekblad, terwijl de oplage maar bleef dalen. In de hoogtijdagen van het blad, eind jaren zeventig, lag die op 120.000, bij mijn aantreden rond de 30.000 en toen ik weg ging op ongeveer 20.000."

Waarom slaagt De Correspondent er wel in linkse progressieve lezers aan zich te binden en lukte dat Vrij Nederland niet?
"Innovatie komt vaak van bedrijven die uit het niets beginnen, bestaande bedrijven vinden het lastig om hun zekerheden te laten gaan. De Correspondent is qua toon soms wat padvinderachtig arrogant, maar ze weten wel een clubgevoel uit te dragen: mensen willen erbij horen. Vroeger had Vrij Nederland dat ook.

Heeft u de rijke traditie van het blad weleens vervloekt?
"Ja, je werd steeds maar weer geconfronteerd met hoe goed het ooit was. De tijden van Joop van Thijn, het Bibebinterview. Ooit had het blad 'Geknipt voor u', met oubollige dingetjes uit streekkranten. Steeds maar weer werd mij gevraagd wanneer die rubriek terug zou komen."

Eind 2015 presenteerde u een reddingsplan voor het blad. Dat liep uit op chaos.
"Het was duidelijk dat het weekbladmodel niet meer werkte. Dus bedachten we als hoofdredactie, samen met de uitgever en de directie, dat het een maandblad zou worden met een dagelijkse website. Daarnaast zou er een platform voor onderzoeksjournalistiek worden opgericht."

"Het was een radicaal plan: de helft van de redactie moest weg en ik zou ook opstappen. Een meerderheid van de redactie kwam in opstand en blokkeerde het plan, met het redactiestatuut in de hand. Ze wilden koste wat het kost het weekblad behouden. De impasse heeft bijna een jaar geduurd."

Had u de reorganisatie niet zelf moeten doorvoeren, in plaats van deze taak over te laten aan uw opvolger?
"We wilden laten zien dat we de trap van bovenaf schoonveegden, dus dan moet de hoofdredacteur weg. Ik hield me wel beschikbaar om mijn opvolger Robert van de Griend te helpen bij de reorganisatie, maar daar wilde de redactie niets van weten. Uiteindelijk is Robert ook weggegaan."

Beeld Martin Dijkstra

En Vrij Nederland werd toch een maandblad.
"Het is heel vervelend hoe het is gelopen. Je gaat liever met een bos bloemen en een liedje uit elkaar, maar ik snap de gevoelens wel."

Sinds vorig jaar is Van Exter voorzitter van de Raad voor de Journalistiek, de instelling die oordeelt of journalisten hun werk zorgvuldig uitvoeren. Vorig jaar nam de raad 120 klachten van personen of instellingen in behandeling, 60 procent meer dan een jaar ervoor.

"Die zittingen zijn fascinerend. Het is goed om als journalist te beseffen hoe groot de impact van een publicatie op iemands leven kan zijn. Als mensen het gevoel hebt dat ze onterecht in een kwaad daglicht zijn gezet, kunnen ze dat maar moeilijk relativeren."

Zegt die toename van het aantal klachten iets over de slordigheid van media of over de klaagcultuur in Nederland?
"Mensen worden assertiever, dat zal zeker een rol spelen. Ik durf niet te zeggen dat media onzorgvuldiger zijn geworden, misschien is de Raad voor de Journalistiek wel bekender geworden."

Wat hopen die mensen te bereiken?
"Dat hun naam wordt gezuiverd. Maar ze vinden het ook fijn dat ze ergens hun verhaal kunnen doen. Het is belangrijk dat er een laagdrempelige plek bestaat waar mensen terechtkunnen met kun klachten, al verplichten wij nu mensen wel eerst contact op te nemen met de hoofdredactie van het betrokken medium."

"In veel gevallen komen ze er dan samen wel uit, al blijft het voor een hoop redacties lastig om een zekere mate van empathie aan de dag te leggen. Ook dat vergroot niet per se de liefde voor de journalistiek."

Opgebiecht

Leermeester "Jaap Timmers was mijn chef toen ik als buitenlandverslaggever bij Trouw werkte, en later mijn voorganger in de hoofdredactie. Hij gaf me veel kansen en leerde me om 'naast het nieuws' te gaan staan."

De beste uit het vak "Bas Haan. Ik houd van journalisten die volhouden. Die Teevendeal ging om veel meer dan dat bonnetje alleen, Haan legde de hele cultuur binnen het ministerie en in de politiek bloot."

De slechtste uit het vak "Als voorzitter van de Raad voor de Journalistiek kan ik geen namen noemen. In het algemeen: luiheid, arrogantie, gebrek aan empathie. Ik wil als lezer merken dat een journalist zijn werk heeft gedaan."

Het beste advies ooit gekregen "Mijn chef Jaap Timmers zei toen ik redacteur Afrika werd: 'Ga eens naar een land waar geen nieuws is, dan begin je er misschien iets van te begrijpen.' Het werd Mali."

Het slechtste advies "Consultants die in powerpointpresentaties vertellen hoe je de 'workflow' op de redactie efficiënter (lees: goedkoper) moest maken."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden