Ten slotte

Frederic Rzewski (1938-2021): een monster van een pianist

Ongetwijfeld was hij de meest virtuoze pianist onder de componisten van de twintigste eeuw. Zaterdag overleed hij, Frederic Rzewski, pianist, componist en wereldverbeteraar.

Erik Voermans
Frederic Rzewski tijdens een optreden in 1985 in Rotterdam. Beeld Redferns
Frederic Rzewski tijdens een optreden in 1985 in Rotterdam.Beeld Redferns

De eerbiedwaardige Russisch-Amerikaanse muziekpublicist Nicolas Slonimsky schreef in Baker’s biographical dictionary of musicians deze zin over de componist Frederic Rzewski: ‘Voorts is hij een uit graniet gehouwen, overdonderende pianovirtuoos, die in staat is enorme rotsblokken van klankmateriaal op het toetsenbord te smijten zonder dat hij het instrument vernielt.’ Op zijn eigen onnavolgbare en geestige wijze bedoelde Slonimsky dit als compliment. Iedereen die Rzewski ooit in levenden lijve aan een vleugel in actie heeft gezien en gehoord, wist: zoals Rzewski was er maar één. Zaterdag is hij overleden, op 83-jarige leeftijd.

Avant-gardemuziek

De roem van Rzewski als uitvoerend musicus nam in de wereld van de avant-gardemuziek in de vorige eeuw een vlucht toen hij de wereldpremière bracht van Stockhausens Klavierstück X (1962). Ook werken van Boulez, Cage, Busotti en Kagel prijkten op zijn concertprogramma’s. Componisten schreven graag voor hem, omdat uitvoeringstechnische problemen in zijn geval nauwelijks leken te bestaan.

Als componist was Rzewski vooral ook geïnteresseerd in de mogelijkheden van de elektronische muziek. In 1966 leidde dat in Rome tot de oprichting, met Alvin Curran en Richard Teitelbaum, van de groep Musica Elettronica Viva, waarmee hij experimenteerde met live-elektronica en improvisatie. In Italië groeide ook een sterk politiek - socialistisch - besef, dat hij deelde met een componist als Luigi Nono, die in diezelfde tijd concerten en lezingen organiseerde voor Italiaanse fabrieksarbeiders.

Rzewski’s verlangen naar een grotere ‘toegankelijkheid’ van zijn muziek leidde in de late jaren zestig en begin jaren zeventig tot stukken als Les moutons de Panurge en Coming together, waarin hij werkte met minimalistische technieken (voordat de minimal music officieel was uitgevonden). In 1975 volgde het stuk dat tegenwoordig in zijn oeuvre de grootste bekendheid geniet: The people united will never be defeated!, een pianowerk van iets meer dan een uur waarin alle muziek langskomt die Rzewski zich op dat moment kon voorstellen en kende; een grootse stilistische synthese. Postmodernisme avant la lettre (maar wel zes jaar na de Sinfonia van Luciano Berio), gezien door de bril van een avant-gardist met een geweten.

Dat geweten leidde bij Rzewski tot een uitspraak als deze: “Het leek mij dat er geen enkele reden was waarom de moeilijkste en meest complexe formele structuren niet zó konden worden uitgedrukt dat ze door een brede groep luisteraars begrepen konden worden.”

Eenvoudig walsje

The people united will never be defeated! wordt wel gezien als een twintigste-eeuws antwoord op Beethovens Diabellivariaties, waarin de grote Ludwig aan de haal gaat met een eenvoudig walsje van de Oostenrijkse uitgever Anton Diabelli. Bij Rzewski diende het lied El pueblo unido jamás será vencido van de Chileense componist Sergio Ortega als uitgangspunt voor zijn indrukwekkende reeks van 36 variaties (Beethoven hield het op 33).

Drie maanden voor de dood van de president Salvador Allende van Chili (hij kwam in 1973 om het leven bij een staatsgreep door generaal Augusto Pinochet) hoorde Ortega een straatzanger de zin ‘El pueblo unido jamas sera vencido!’ roepen (een verenigd volk zal nooit worden overwonnen!). Ortega maakte van die kreet een lied dat in Chili een undergroundstatus verkreeg.

En toen Rzewski een paar jaar later Ortega in Italië ontmoette en de twee een vriendschap smeedden, besloot de Amerikaan de melodie van het lied van zijn Chileense kameraad als uitgangspunt te nemen voor zijn monumentale variatiereeks.

Rzewski leerde het componeervak bij Milton Babbitt en Roger Sessions aan de universiteiten van Harvard en Princeton, de hoofdkwartieren van het Amerikaanse muzikale academisme. Die hadden weinig op met het multistilisme van hun leerling. Rzewski’s werken gaan van romantische, warme melodieën tot prikkeljazz, van volksliedjes tot minimalistische repeterende patronen en zeer abstracte harmonisch-melodisch-ritmische conglomeraten van klank.

Zowel in Luik als in Den Haag was hij werkzaam aan het conservatorium.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden