Plus Interview

Filmkunstenaar Jeroen Eisinga: ‘Ik werk als een galeislaaf’

De Ouborg Prijs voor Jeroen Eisinga betekent geld dat hij goed kan gebruiken, een expositie in het Haags Kunstmuseum en een boek over zijn gevarieerde werk. 

Zelfportret met Volkswagen Kever, 1992. Beeld Jeroen Eisinga

Voor Jeroen Eisinga, de maker van indringende foto’s, tekeningen en films, betekende de Ouborg Prijs 2019 naast 10.000 euro prijzengeld de ruimte om een fantastisch kunstenaarsboek te maken. Het heeft dezelfde titel als zijn intieme tentoonstelling met super 8 en 16mm films in het Kunst­museum Den Haag: De maatschappelijke ladder.

“Het is een boek vol ideeën en ontdekkingen,” vertelt Jeroen Eisinga (Delft, 1966) in het café van het Kunstmuseum. “Met mijn vrouw heb ik er zes maanden onafgebroken aan gewerkt. Ik ben er echt heel blij mee. Het omvat 25 jaar kennis en achtergronden; alles wat je nog niet van me kende staat er in.”

Het boek is opgebouwd als een filmscript, met een verhaallijn. De ene keer worden er dingen duidelijk gemaakt met tekst, een andere keer met beeld. “Ik werk al 25 jaar ideeën uit in schetsboeken. Al mijn projecten beginnen met tekeningen en gedachten. Het is gemaakt zonder het idee dat iemand het ooit te zien zou krijgen. Ik heb ze opgeschreven voor mezelf. Om iets duidelijk te krijgen. Ongecensureerd, zoals ik het voel.”

Wanneer wordt een gedachte een project?

“Als ik een film wil maken, ga ik eerst kijken of het mogelijk is. En op het moment dat ik alles uitgezocht heb en een beetje een beeld heb van hoe het zou moeten en wat het gaat kosten dan wordt het een project.”

“Er zijn veel dingen die een project in de weg staan. De spoorwegen, bijvoorbeeld. In 2014 wilde ik een film maken over de ervaring van tijd en hoe dingen beladen worden met een bepaalde emotie. Daar had ik twee treinen voor nodig waarmee ik een enorm ongeluk wilde filmen. Die treinen wilde ik kopen van de Belgische spoorwegen, maar zo’n ongeluk is natuurlijk geen reclame. Bovendien had de Europese Unie een regel aangenomen die bepaalde dat afgedankte treinen niet meer over het spoor naar hun nieuwe bestemming mogen worden vervoerd. Dan is hetzelfde project ineens 2,5 ton duurder, omdat de twee locomotieven op een vrachtwagen zouden moeten worden vervoerd. Die film is er dus niet gekomen”

U hebt een paar jaar in Hollywood gewoond en daar onder meer twee speelfilmscenario’s geschreven. Die zijn ook niet verfilmd.

“Ik wilde dat zelf doen. Een van die films, Bel­gian Blue, gaat over een linksgeoriënteerde jongen uit een volkswijk die steeds verder opschuift naar rechts-extremistisch. Het speelde zich af in Brussel, nog voor de bomaanslagen bij Zaventem en Maalbeek – ik heb het dus eigenlijk voorspeld in mijn script, maar daar ging het me niet in eerste instantie om. Ik wilde stap voor stap laten zien hoe dat opschuiven in zijn werk gaat. Het ging me er niet eens om of er fout en goed is, ik wilde onderzoeken hoe dat werkt; hoe schuift iemand op? Want ik merkte het ook aan mezelf, dat ik soms dacht van: hé, wat die Pim Fortuyn zegt is helemaal niet zo gek, terwijl ik destijds een Islamitische vriendin had.”

Waarom is die film niet gemaakt?

“Ik had een Hollywoodproducent die er geld in wilde stoppen, maar dan moest er wel een Nederlandse of Belgische producent bij. Nou ja, als je zoiets in de Nederlandse filmwereld wilt onderzoeken, gaan alle luiken dicht. Bij het Filmfonds wordt door ambtenaren bepaald wat er wel en niet wordt gemaakt, niet door intellectuelen. In Frankrijk zou zo’n film wel gemaakt kunnen worden. Was ik maar Fransman.”

In Frankrijk was u wel opgeklommen op de maatschappelijke ladder?

“De maatschappelijke ladder interesseert me geen zier. Ik hang niet voor niets ondersteboven aan die ladder. Nee, dat is geen trucage. Ik was 28 jaar toen ik dat filmpje maakte, woog 68 kilo en deed aan kickboksen; ik kan minutenlang ondersteboven blijven hangen. Maar die maatschappelijke ladder is een knipoog. Want iemand die de maatschappelijke ladder heeft beklommen, kan geen goeie kunstenaar meer zijn. Dan word je een Luc Tuymans, die een schilderij van Condoleezza Rice maakt. Dat is toch helemaal niet interessant?”

Enerzijds zit u te mokken, anderzijds lijkt u te zeggen dat er voor u geen andere manier is.

“Klopt, ik ben gedoemd tot dit leven omdat ik goeie kunst wil maken. Het is het een of het ander. Maar dat is niet altijd eenvoudig. In 2015 heb ik een hartaanval gehad. Ik ging joggen in het park, viel voorover op mijn gezicht en werd vijf weken later weer wakker. Dat was na het treinenproject, ik had me blijkbaar te druk gemaakt en te veel gerookt. Ik kon niet meer praten, niet meer lopen, alleen maar kijken. Ik heb een jaar gerevalideerd, daarna heb ik op mijn tandvlees mijn schapenproject afgemaakt in Finland.”

Met die film, waarin u een uur lang een kudde schapen toont die bewegingloos op een bevroren meer staan, haalde u De Wereld Draait Door. U leek daar slecht op uw plaats.

“Dat vond ik er juist interessant aan. Ik vind Matthijs van Nieuwkerk een ontzettend aardige vent en hij stelt betere vragen dan de gemiddelde curator. En het helpt om daar te zitten; voordat ik bij DWDD zat, kwam er een handjevol mensen naar mijn tentoonstelling in De Electriciteitsfabriek in Den Haag, daarna 500 man per dag, achterelkaar door. En toen kwamen ook de zogenaamde kwaliteitsmedia pas kijken.”

Hij kijkt op, vraagt of hij niet te veel zit te mopperen en zegt dan zonder het antwoord af te wachten: “Mijn vriendin zegt dat ook: je bent een sacherijnig mannetje aan het worden de laatste tijd. Maar dat heeft een reden; sinds mijn hartaanval slaap ik slecht en ik heb me een slag in de rondte gewerkt. Ik verwaarloos mijn gezin én mezelf en heb nooit ergens tijd voor – en voor wat? Voor een fooi. Ik werk als een galeislaaf en verdien net genoeg om niet uit mijn huis gezet te worden. Daarom is deze prijs prachtig! Met deze prijs kan ik een jaar lang mijn huur betalen.”

De maatschappelijke ladder, t/m 22/3, Kunstmuseum Den Haag. Boek leverbaar via stroomdenhaag.nl.

Verontrustend

Jeroen Eisinga maakte furore met de ijzingwekkende, 20 minuten durende, in zwart-wit gedraaide film Springtime (2010-2011), waarin zijn kaalgeschoren hoofd en ontblote bovenlijf langzaam maar zeker worden bedekt door 150.000 bijen. Hij werd circa dertig keer gestoken, onder meer op beide oogleden. Vorig jaar maakte hij Nightfall, waarin hij in zwart-wit een uur lang een kudde schapen laat zien, gegroepeerd rondom een wak waarin een schaap is vastgevroren.

Een still uit Nightfall. Beeld Jeroen Eisinga
Een schets voor het niet gerealiseerde treinenproject. Beeld Jeroen Eisinga
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden