PlusAchtergrond

Felix Rottenberg keert terug naar de Akbarstraat: ‘Er moet nog veel gebeuren’

Achttien jaar nadat Felix Rottenberg had laten zien waar verwaarlozing van een achterstandsbuurt toe leidt, keerde hij terug naar de Akbarstraat. ‘Het gaat hier om de vraag hoe wij met elkaar kunnen leven.’

In 2002 maakte Felix Rottenberg een drieluik over de Akbarstraat, middelpunt van de Kolenkitbuurt in West, een arbeidersparadijs uit de jaren vijftig dat dertig jaar later in hoog tempo veranderde in een wijk voor gastarbeiders uit ­Marokko en Turkije. De film sloeg in als een bom. Rottenberg liet als een van de eersten zien waar verwaarlozing van achterstandsbuurten toe leidt: vervuiling, achterdocht, mensen die volledig met de rug naar elkaar toe leven. Vijf jaar later werd de buurt uitgeroepen tot de grootste probleemwijk van Nederland.

Afgelopen jaar keerde Rottenberg terug naar de Akbarstraat en maakte er met de gelauwerde regisseur Gülşah Doğan opnieuw een lange ­documentaire over. Een tweeluik dit keer, ­ontroerend en in veel opzichten hoopgevend, maar ook ongemakkelijk en verontrustend.

Schurend als twee Turks-Nederlandse vaders aan de rand van het voetbalveld in onvervalst Amsterdams zeggen dat ze liever teruggaan naar Turkije, omdat ze niet meer weten wat ze moeten doen om erbij te horen. Ze hebben hun eigen bedrijf, ze betalen belasting en kijken met kerst naar Home Alone.

Witte ouders

“Dat is tragisch,” zegt Rottenberg. “Ik krijg daar pijn van in mijn buik.” Wijkbewoner en cultureel antropoloog Sinan Çankaja zegt het in de documentaire anders: “Als je geïntegreerd bent, moet je nog meer integreren, zodat het voor eens en altijd duidelijk blijft dat je een buitenstaander bent.”

Rottenberg: “Ik zeg altijd: integratie duurt zes of zeven generaties. Dan pas voelen mensen zich onderdeel van deze samenleving. Zover zijn we nog niet.”

Door de stedelijke vernieuwing in de Akbarstraat wonen arm, rijk, zwart en wit tegenwoordig naast elkaar. Waar vroeger op luide toon van de Turkse en Marokkaanse buurtbewoners werd geëist dat ze zich zouden aanpassen, is het tegenwoordig de witte middenklasse die als nieuwkomer geldt en het verzoek krijgt in te schikken. Geschokte gezichten op de Bos en Lommerschool als witte ouders de zwarte buurtschool aantrekkelijker willen maken door hun kinderen gezamenlijk in een klas te zetten, maar vergeten daar de allochtone ouders bij te betrekken. Zijn onze kinderen soms niet goed genoeg om mee in de klas te zitten?

Pim Fortuyn

“Ik wilde weten hoe het met de minisamen­leving in de Akbarstraat staat,” zegt Rottenberg. “Er is flink wat gesloopt, er is nieuwe sociale ­woningbouw gekomen, maar dat is buitenkant. Hoe zit het met de binnenkant? Hoe verhouden de verschillende bevolkingsgroepen zich nu tot elkaar?

En hoe zou het gaan met Habil Görgülü, het scholiertje uit het eerste deel dat tussen neus en lippen door vertelde dat hij met toestemming van zijn vader werd geslagen op de Koran­school. Als loodgietersvoorman vierde hij successen op de Zuidas. Nu zit hij bij zijn moeder, nadat hij een trauma opliep toen hij per abuis met veel geweld werd gearresteerd door een ­antiterreureenheid. Meer dan een bloemetje van de Albert Heijn zat er voor hem niet in.

Hoe gaat het met André Hammersma? De ­voormalige eigenaar van de laatste authentieke Hollandse winkel in de straat is nog altijd een betrokken buurtbewoner. Of met Emre Uzun, die als kind zo graag bij de politie wilde. Hij ging uiteindelijk psychologie studeren en kreeg als stagiair te ­horen dat hij meer ‘aanwezig’ moest zijn. Thuis zocht hij het op: hoe doe je dat, aanwezig zijn? ‘Hoi’ zeggen als je binnenkomt? Nu is hij ggz-psycholoog.

“Tegenover de hoop staat de wanhoop,” zegt Rottenberg. “Dat zag je ook bij de voorvertoningen. Mensen kwamen er dizzy uit. Je moest echt heel volhardend zijn om het te redden in de ­Akbarstraat. Ik heb in de voorbereiding enorm leuke gesprekken gehad met mensen, maar die zeiden dan aan het eind: waarom zouden we meedoen aan een film? Het levert ons niets op. Kijk maar hoe er over ons wordt gesproken. Daar zit de pijn.”

Berichten uit de haarvaten van de Kolenkitbuurt. Gemakkelijker is het er niet op geworden sinds het verschijnen van de eerste film over de Akbarstraat. VVD-voorman Frits Bolkestein en publicist Paul Scheffer hadden destijds net hun aanval geplaatst op de multiculturele samen­leving, Pim Fortuyn stond op doorbreken. In de nieuwe documentaire krijgt Rottenberg het verwijt van antropoloog Çankaja ‘mee te hebben gehuild met de wolven in het bos’. Van een ­armoedeprobleem zou hij een migranten­probleem hebben gemaakt.

“Niet helemaal terecht,” zegt Rottenberg. “Ik heb vooral het falen van de overheid laten zien. Waarom liet die toe dat het zo’n bende was op straat, dat mensen om half zeven in de ochtend in de rij moesten staan voor de maatschappelijk werker? Die boodschap kwam luid en duidelijk over. Ik werd na vertoning van de film ter ­verantwoording geroepen op het stadsdeel­kantoor. Zaten daar dertig witte ambtenaren, ­allemaal met hun armen over elkaar achterover te leunen: wat denk jij wel? Maar op het stadhuis vroeg burgemeester Job Cohen zich af: waarom doen we het niet goed?”

Samen blussen

En dan nog: taalproblemen, opvoedings­problemen, vrouwen die leven in isolement, mannen die hun dochters niet laten studeren. Mag het niet hardop worden gezegd?

“We hebben het ongemak natuurlijk ­op­gezocht,” zegt hij. “De komende jaren gaat het erom of dat afneemt. Ik ben daar optimistisch over, maar het gaat niet vanzelf. In Lucky Luke, heb je op een gegeven moment een familie met grote oren en een familie met grote neuzen. Die hebben voortdurend ruzie, totdat er brand uitbreekt. Dan staan ze samen te blussen. Het hoeft niet altijd samen, maar als het nodig is, moet je elkaar weten te vinden. Als we inventief zijn, treffen de mensen elkaar in de buurt als bij ­toeval. Je moet het toeval alleen een beetje organiseren.”

Hij wil bescheiden zijn, zegt Rottenberg. “Ik heb hooguit wakker geschud. Er moet nog veel gebeuren. Natuurlijk: als je met een helikopter over Nederland vliegt, zie je hoe welvarend wij zijn. Maar het duurt veel te lang. Ik mis nog steeds een visie op dit soort wijken, op de vraag hoe je ze op een hoger niveau kunt brengen en houden. Hoe mensen trots kunnen zijn op hun wijk. Het gaat hier om een groot vraagstuk, om meer dan integratie. Het gaat hier om de vraag hoe wij met elkaar kunnen leven en hoe wij in de korte periode dat we op aarde zijn, gelukkig kunnen zijn.”

Felix Rottenberg in gesprek met André Hammersma.

Felix Rottenberg en Gülşah Doğan (regie): Terug naar de Akbarstraat. Woensdag 22 januari (deel 1) en donderdag 23 januari (deel 2), 22.15 uur, NPO 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden