PlusInterview

Eric Vloeimans: ‘Beroemdheid, dat is buitenkant’

Eric Vloeimans (57) krijgt de Edison Oeuvreprijs. Hoe kijkt hij naar zijn eigen oeuvre, dat zich over vrijwel elk denkbaar genre uitstrekt? ‘Ik heb absoluut niet het idee dat het werk nu gedaan is.’

null Beeld Nico Brons
Beeld Nico Brons

“Zo’n oeuvreprijs is een goed begin,” zegt trompettist Eric Vloeimans met een brede grijns. Hij noemt het een momentopname, zoals eigenlijk al zijn projecten per definitie momentopnamen ­waren. Hij ziet het zo: als creatief musicus streef je er naar altijd in het ‘nu’ te leven. Terugkijken is weinig zinvol. Hij luistert daarom ook helemaal nooit meer naar zijn cd’s als ze eenmaal zijn gemaakt. “Die zijn voor andere mensen. Heel mijn ziel en zaligheid heb ik in het maakwerk gestoken, maar als het klaar is, zit het erop. Ik kan beter naar iemand anders luisteren, waar ik wat van kan leren. ”

Op zijn lauweren rusten, daar is hij niet goed in. Hij zit altijd boordevol ideeën en dat wordt naarmate hij ouder wordt alleen maar erger. Er komen gewoon steeds meer ideeën. Daar gaat hij dan mee aan de slag. “Ik kan me wel beter ontspannen dan vroeger. Lekker even wandelen of fietsen. Dat is goed voor hart, lijf en leden. Maar daarna wil ik dan weer aan de slag.” Hij vindt het nog steeds ontzettend leuk om te studeren, om beter te worden.

Klein wonder

Zijn eerste cd maakte hij 28 jaar geleden. No Realistics. “Dat was een heel grappige plaat. Met m’n eerste kwartet onder mijn eigen naam, met Anton Goudsmit, Arno Dooyeweerd en Pieter Bast. Ik was nog een jonkie. Voor het eerst met eigen stukken. Ik was nog erg aan het zoeken naar een eigen identiteit. Wie ben ik nou eigenlijk? Ik wist dat ik Kenny Wheeler erg bewonderde en dat ik geen mainstreammuziek wilde ­maken, maar wat dan wel? In de vakantie heb ik stukken zitten schrijven die allemaal een schot in de roos waren. Dat voelde als een klein wonder. En dat werd No Realistics.”

Vervolgens besloot hij de koe bij de horens te vatten. Hij belde zelf alle kranten op met de ­mededeling dat hij net zijn eerste plaat had ­gemaakt en of het niet eens tijd werd voor een interview. NRC, de Volkskrant en het ­Brabants Dagblad hapten. “En toen stond ik op de kaart.”

Door de mand vallen

Na No Realistics kwam de twijfel. Was die reeks geslaagde eigen stukken geen beginnersgeluk geweest? Zou hij nu dan toch door de mand gaan vallen? “Die twijfel was begrijpelijk. Elke muzikant heeft die. In mijn geval was de twijfel on­terecht. Voor al mijn albums heb ik altijd minstens 75 procent van het materiaal geschreven.”

Schrijven werd ook steeds belangrijker. “Eerst was het: ik ga een cd opnemen en dus ga ik schrijven. Nu is ben ik gewoon steeds aan het schrijven. En zeker nu, in die vreselijke coronatijd, waarin ik niet meer kan optreden. Op een gegeven moment had ik ook geen zin meer mijn embouchure bij te houden. Ik was benieuwd wat dat zou betekenen. Uiteindelijk heb ik zes maanden niet gespeeld! Die tijd heb ik benut met nieuwe stukken componeren, vaak zonder doel, uitsluitend om mijn eigen bibliotheek te verrijken. “Daarnaast ben ik bezig met film­muziek voor een documentaire van de makers van De nieuwe wildernis, over de haven van ­Rotterdam. Zo ontdek je steeds meer over jezelf in je muziek.”

Na die zes maanden was hij binnen een paar dagen weer op volle sterkte. “Je weet hoe het moet, je weet wat je moet doen en je lippen en je spiergeheugen helpen je daarbij. Dat is ook het leuke aan ervaring, aan de kilometers die je hebt ­gemaakt. Je weet precies wat je aan jezelf hebt.”

Trompetje mee de jungle in

In de beginjaren was hij een totale neuroot als het om zijn embouchure ging. Hij nam zelfs op vakantie een klein studietrompetje mee de ­jungle van Borneo in, omdat hij bang was dat hij anders niet klaar zou zijn voor de aankomende plaatopnames met John Taylor, Joey Baron

en Marc Johnson in New York. Voor die plaat, ­Bitches & Fairytales, kreeg hij in 1999 zijn eerste Edison. Er zouden er nog vier volgen, in 2003 (VoizNoiz 3 met Michel Banabila), 2006 (Summersault), 2007 (Gatecrashin’) en in 2017 (Carrousel), in de sector klassiek, met Holland Baroque, dat frisse en inspirerende barokorkest.

Is Eric Vloeimans op zijn 57ste tevreden over zijn carrière? “Als je begint, droom je van iets groots. En ik ben heel erg gelukkig met wat ik heb bereikt. Ik heb hoegenaamd niets te klagen. Altijd heb ik mijn eigen keuzes kunnen maken en mijn eigen verhaal kunnen vertellen, met mensen met wie ik me verwant voel. Ik ben niet bezig met beroemdheid. Dat is namelijk vooral buitenkant. Het is zeer de vraag of je daar wel zo gelukkig van wordt.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden