Plus Interview

Ellen Deckwitz dicht over de gevolgen van oorlog op latere generaties

Haar grootmoeder maakte gruwelijke dingen mee in het jappenkamp. Dichter Ellen Deckwitz schreef een dichtbundel over de gevolgen van oorlog op latere generaties.

Ellen Deckwitz. De dichter, theatermaker, columnist en ‘poetry slammer heeft vijf jaar aan haar nieuwste bundel ­gewerkt. Beeld Michel Goossen

Ellen Deckwitz (37) moest dinsdag keihard huilen toen ze van haar uitgever haar nieuwe bundel Hogere natuurkunde vers van de pers in handen kreeg. Ze besefte meteen: nu is ze echt dood. Nu is oma écht weg.

Deckwitz had een bijzondere band met haar groot­moeder Koos, die naast het gezin woonde. Haar oma had drie jaar – van 1942 tot 1945 – in meerdere Jappenkampen gezeten en vertelde haar als kind over de martelingen, honger, vernederingen en verkrachtingen die ze meemaakte. Deckwitz, naast dichter ook theatermaker, columnist en ‘poetry slammer’, schrijft in haar vierde bundel Hogere natuurkunde hoe de oorlog generaties lang wordt overgedragen.

“Ik trok heel erg naar mijn oma toe, wilde alles weten. Van haar zes kleinkinderen kreeg ik het meeste mee. De anderen waren blond, ik was donker. Misschien was dat het. Maar ik stond er ook voor open. Ik was als een spons.”

Föhn op de heetste stand

Vanaf haar zesde kreeg ze alle details van de ­gruwelijkheden te horen. “Ze vertelde het heel feitelijk, met een bijna sadistisch soort ­genoegen, maar verzweeg haar emoties. Ik kreeg er nachtmerries van, droomde dat ik zelf in het kamp zat of ondergedoken was en moest vluchten. Ik droom nog steeds minstens één keer per week over executies, vluchtpogingen, martelingen. Vannacht nog: de weg werd versperd door de nazi’s toen we een boot moesten halen.”

Haar oma was van staal, zegt ze. In haar bundel schrijft ze: ‘Soms föhnde ze mijn hoofd op de allerheetste stand, zei dat het zo voelde ­wanneer je vijf uur lang voor een vlag moest knielen.’ Deckwitz: “Zo heet was het toen ook, zei ze. Ze was er trots op dat zij zo taai was.”

Koos in de achtertuin in Batavia, Nederlands-Indië, 1937. Ze was hier 16 of 17, een aantal jaren voor ze op haar 21ste het kamp in ging. Beeld Jan Deckwitz

Vijf jaar lang heeft Deckwitz, die in 2012 voor haar bundel De steen vreest mij bekroond werd met de C. Buddingh’-prijs, aan haar bundel ­gewerkt. Maar eigenlijk nog veel langer, vertelt ze. Vanaf haar kindertijd ondervroeg ze haar ­Indische vrienden, hun ouders en grootouders over het Jappenkamp. Alles wilde ze over de ontberingen weten. “Maar ik sprak ook met ­Molukkers, Chinezen en Joden over de oorlog. De effecten van de oorlog op tweede en derde generaties zijn herkenbaar: grootouders die niet met hun kinderen maar wel met hun klein­kinderen spraken.”

Ook Deckwitz’ moeder, geboren in 1952, kende de verhalen uit het kampleven van haar eigen moeder niet. Bijvoorbeeld hoe zij samen met haar zus de tanden met as besmeerden en kwijlend voor zich uit keken toen er troostmeisjes in het kamp werden geronseld. Ze wist ook niet dat ze uit de Bijbel voorlas om de gevangenen te ­bedaren toen de Jappen hen kort voor de bevrijding het moeras in wilden jagen. “Mijn oma was zo atheïstisch als wat, maar het kalmeerde de paniek van andere gevangenen.”

Koos (tweede van links) met haar boertjes en zusje in hun achtertuin in Bojonegoro, Nederlands-Indië, 1927. Beeld Jan Deckwitz

Voorraadkast

Over haar moeder schrijft ze: ‘Schouders vol knopen,/ rug gekromd als een vraagteken’. “Mijn moeder was het kind dat alles probeerde goed te maken, net als kinderen van Joodse ­ouders die de oorlog hebben overleefd. Ze kookte, maakte schoon, maar kreeg altijd kritiek van haar moeder. Het was nooit goed genoeg. Mijn moeder ging gebukt onder het verleden van mijn oma. Het was een zwarte wolk boven ons allemaal. De dood van oma was in die zin een verlossing voor ons.”

In de bundel staan uitspraken van haar grootmoeder tussen haakjes. ‘Kijk welke bloembakken los staan kleintje, met welke tegels je een ­tegenligger kan omkegelen.’

Deckwitz: “Ik heb altijd een Zwitsers zakmes in mijn tas en een flesje water, koekrepen en mijn paspoort. Een tip van mijn oma.”

Haar grootmoeder was ervan overtuigd dat de oorlog opnieuw zou uitbreken. In de dicht­bundel schrijft Deckwitz: ‘Hun komst staat geschreven in de voorraadkast waar het eten rot.’

“Oma’s voorraadkast stond vol met Smac, ­ingeblikte worst, flessen water, boontjes en ­andere groenten in glazen potten. Hak heeft enorm aan haar verdiend. Oma had geen voorraadkast maar een voorraadgaráge. Zelf heb ik ook een heleboel eten en drinken in de kast. Ik gooi ook nooit eten weg, net als zij.”

Deckwitz ontwikkelde daarnaast, net als lotgenoten, een groot wantrouwen naar mensen. “Mijn oma zei altijd over vrienden: ‘Wacht maar tot ze honger krijgen’. Ze vertelde over moeders in het kamp die eten stalen van hun eigen ­kinderen. Ik heb een scherp instinct ontwikkeld en ga ervan uit dat mensen een hekel aan me hebben. Een vriendin zei tegen me: ‘Je gaat met me om alsof ik je elk moment kan dumpen.’ Ik geef mensen inmiddels wel meer het voordeel van de twijfel.”

Niet te pletten

Op de laatste pagina van haar bundel beschrijft ze hoe haar broer, zus en ook zij altijd vooraan in de rij staan. Altijd haantje de voorste zijn. ‘De onzen kunnen altijd door, zijn niet te pletten.’

“Ik heb altijd een stoel in een volle trein. Dat is een overlevingsmechanisme. Ook iets van oma.” Iets later: “Zet er wel bij dat ik wel opsta voor oude vrouwtjes.”

Poëzie Ellen Deckwitz Hogere natuurkunde Uitgeverij Pluim, € 21,99, 80 blz.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden