Plus

Eind 19de eeuw ging men plotseling 'winkelen' in Amsterdam

Kunstenaars als George Breitner en Isaac Israëls schilderden het mondaine, jachtige, nieuwe Amsterdam aan het einde van de 19de eeuw. Een stad waar boodschappen doen uit de tijd raakte en men plotseling ging 'winkelen'.

George Hendrik Breitner: De Dam (De Nieuwe Kerk te Amsterdam), (1891).Beeld Singer Laren

'In de Kalverstraat en Nieuwendijk zijn de prachtigste magazijnen van allerlei aard gevestigd. Als men des daags of des avonds [...] kalm door de straten wandelt, is het of men zich in een internationale tentoonstelling bevindt,' schreef een journalist in 1891.

Amsterdam had in de jaren daarvoor in rap tempo een ander aanzien gekregen. De stad groeide en er kwam steeds meer vertier. Mensen zochten de gezelligheid op in nieuwe cafés, restaurants, lunchrooms of, in de late uurtjes, in de café-chantants rond de Nes.

En er ontstond een nieuw begrip: 'winkelen', niet te verwarren met het gangbare boodschappen doen. Winkelen was een vorm van stedelijke recreatie. Men maakte een ontspannen wandeling en vergaapte zich aan de etalages vol mooie spullen, vaak zonder iets te kopen. Shoppers gingen naar de Nieuwendijk en Kalverstraat om te zien en gezien te worden.

In de jaren tachtig van de 19de eeuw brak in veel opzichten een nieuwe tijd aan. En bij die nieuwe tijd hoorde een nieuwe kunst. Rumoer in de stad in het Gemeentemuseum Den Haag laat zien dat Amsterdam het centrum werd van die nieuwe kunst. De periode daarvoor werd gedomineerd door de Haagse School.

Schilders als Jozef Israëls, Jan Hendrik Weissenbruch, Jacob en Willem Maris, Constant Gabriël en Anton Mauve gingen op zoek naar het eenvoudige leven van landarbeiders, vissers en herders. Den Haag was het artistieke centrum van Nederland, maar de Haagse schilders zochten hun onderwerpen zo ver mogelijk buiten de stad.

Paardentrams en dienstbodes
Die houding veranderde bij een volgende generatie schilders. De plattelandsmotieven in het werk van de Haagse Scholers maakten bij kunstenaars als George Breitner, Isaac Israëls en Willem Witsen plaats voor schilderijen met stedelijke motieven.

En dan gaat het niet om een vrolijk zonnetje dat op een karakteristiek kerktorentje schijnt, zoals in traditionele stadsgezichten, maar om schilderijen waarin de stad het decor vormt voor het mondaine, jachtige leven.

Vluchtige impressies volgen elkaar in rap tempo op. In een schilderij van Witsen proberen figuren bij de Montelbaanstoren hun paraplu in bedwang te houden tijdens een regenbui. Breitner laat paardentrams en dienstbodes door het beeld snellen.

Op de tekeningen van Israëls stuwt de wind proppen papier door de straten van de nieuwbouwwijken. En Jacobus van Looy schildert extatische feestvierders tijdens een Oranjefeest. Iedereen heeft altijd haast.

Deze Amsterdamse School - ook wel aangeduid als de Schilders van Tachtig of de Tachtigers - kwam voort uit de Haagse School. In het Gemeentemuseum kun je zien dat veel schilders gevormd werden in het Haagse milieu, zoals Isaac Israëls, wiens vader Jozef de beroemdste schilder van Nederland was.

Ook Vincent van Gogh vestigde zich in 1881 in Den Haag met de ambitie om kunstenaar te worden. Hij richtte zijn blik op de desolate rafelranden van de stad, waar de nieuwe tijd oprukt in de vorm van een groot station, een fabriek of een stadspark. Van Gogh en Breitner deelden hun belangstelling voor de bedrijvigheid op straat en de zelfkant van het leven. Korte tijd schuimden zij samen Haagse volksbuurten af om 'typetjes' te tekenen.

Elegante dames in Hirsch
Na zijn verhuizing naar Amsterdam vond ­Breitner zijn artistieke sparringpartner in Isaac Israëls. Beiden waren op zoek naar de bedrijvigheid in de stad. Ze tekenden en schilderden koffiepiksters, dienstbodes, drukke winkelstraten en interieurs van cafés en theaters.

Israëls had daarnaast een speciale voorliefde voor het circus en elegante dames in modehuis Hirsch op het Leidseplein, terwijl Breitner zijn blik richtte op bouw- en sloopwerkzaamheden.

Isaac Israëls: Hoedenwinkel van Mars op de Nieuwendijk te Amsterdam, (1893).Beeld Groninger Museum

De tentoonstelling richt zich overigens niet alleen op dynamische stadsgezichten. Er zijn prachtige zelfportretten van diverse schilders, die getuigen van ernstige contemplatie. En ­Jacobus van Looy is vertegenwoordigd met een aantal idyllische stadstuinen vol bloeiende planten. Ook dat past in het beeld van een zinderende nieuwe tijd.

Maar de meeste aandacht gaat toch uit naar de dynamiek op straat en het vaak schrijnende leven van fabrieksarbeiders, dat wordt vastgelegd zonder medelijden of opgeheven vingertje.

Israëls maakte een schilderij van de hoedenwinkel van Mars op de Nieuwendijk, waar het winkelende publiek zich vergaapt aan het aanbod. Er waren speciale avondopenstellingen, mogelijk gemaakt door het gebruik van gaslicht. Later was het filiaal van Mars op de Kalverstraat een van de eerste winkels in de stad met elektrisch licht.

De vlam van de Schilders van Tachtig brandde hevig, maar ook kort. Ze raakten hun toonaangevende positie al snel kwijt. Vergeleken met het symbolisme en neo-impressionisme van weer een nieuwe generatie leken schilders als Breitner en Israëls ineens hopeloos ouderwets.

Rumoer in de Stad. T/m 5/11, Gemeentemuseum Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden