PlusBoekrecensie

Een voorpublicatie van ‘Hierheen naar het gas, dames en heren’ van Tadeusz Borowski

In 1951 maakte de Poolse schrijver Tadeusz Borowski op 28-jarige leeftijd een einde aan zijn leven. In 1943 werd hij als niet-Joodse Poolse verzetsstrijder gedeporteerd naar Auschwitz en daarna naar Dachau. Arnon Grunberg en vertaler Karol Lesman verzamelen in Hierheen naar het gas, dames en heren Borowski’s verhalen en gedichten. Een voorpublicatie.

Tadeusz Borowski
Foto gemaakt in 1944 van het treinstation bij het concentratiekamp Auschwitz/Birkenau in Polen. Op de achtergrond de crematoria 1 en 2. Beeld Votava/Imagno/Getty Images
Foto gemaakt in 1944 van het treinstation bij het concentratiekamp Auschwitz/Birkenau in Polen. Op de achtergrond de crematoria 1 en 2.Beeld Votava/Imagno/Getty Images

Ondertussen wordt het steeds rumoeriger en drukker op het laadperron. De vorarbeiters delen groepen in, de ene voor het openen en uitladen van de wagons die zullen komen, en de andere voor bij de houten trap, en leggen uit hoe ze moeten handelen. Het is een draagbare, comfortabele, brede trap, zoals die van een tribune. Er komen ronkende motoren aan die met zilveren insignes bezaaide onderofficieren van de SS meebrengen, forse, vetgemeste mannen met gepoetste officierslaarzen en glimmende boerse gezichten.

Bamboestokken

Sommigen komen met aktetassen, anderen hebben buigzame stokken van riet. Dat geeft hun een zakelijk en veerkrachtig aanzien. Ze lopen de kantine in, want die armzalige barak was hun kantine, waar ze ’s zomers mineraalwater dronken – Sudetenquelle – en zich ’s winters verwarmden met warme wijn, ze groeten elkaar op staatswijze met een op z’n Romeins gestrekte rechterarm, en drukken elkaar dan joviaal de hand, glimlachen hartelijk naar elkaar, hebben het over brieven, over berichten van thuis, over de kinderen, ze laten elkaar foto’s zien.

Sommigen lopen plechtig over het plein heen en weer, het grind knerpt, de laarzen knerpen, de zilveren vierkanten op hun kragen schitteren en hun bamboestokken zwiepen ongeduldig. De verschillend gestreepte menigte ligt bij de rails in de smalle banen schaduw, ademt zwaar en onregelmatig, spreekt loom in haar eigen taal en kijkt onverschillig naar de majestueuze mensen in de groene uniformen, naar het groen van de bomen, zo dichtbij en onbereikbaar, naar de toren van het kerkje in de verte, waar juist de klokken worden geluid voor een verlaat angelus.

Goederenwagons

‘Het transport komt eraan,’ zegt er een, en iedereen komt verwachtingsvol overeind. Goederenwagons komen de bocht om: de trein rijdt achteruit, de spoorman in het remmershuisje buigt zich naar buiten, zwaait met zijn arm, fluit. De locomotief fluit beangstigend terug, puft; de trein rolt langzaam langs het station. In de betraliede raampjes zie je mensengezichten, bleek, verfrommeld, onuitgeslapen, verfomfaaid – van angstige vrouwen en mannen, die – hoe exotisch – haar hebben. Ze komen langzaam voorbij, kijken zwijgend naar het station. Dan komt er in de wagon iets in beweging en begint tegen de houten wanden te dreunen.

‘Water! Lucht!’ wordt er hol, wanhopig geroepen.

Uit de ramen komen mensengezichten, monden happen wanhopig naar lucht. Na een paar slokken lucht verdwijnen de mensen uit de ramen en wringen er zich anderen op hun plaats en verdwijnen weer net zo. De schreeuwen en het gereutel worden steeds luider. Een man in een groen uniform, die meer dan de anderen bezaaid is met zilver, heeft zijn mond vertrokken van walging. Hij neemt een trek van zijn sigaret, gooit hem plotseling weg, verplaatst zijn aktetas van rechts naar links en knikt naar de post. Die haalt langzaam het machinegeweer van zijn schouder, gaat in positie staan en trekt een serie schoten langs de wagons. Het wordt stil.

Wagons

Ondertussen komen er vrachtwagens aanrijden, er worden krukjes voor gezet, we gaan klaarstaan bij de wagons. De reus met de aktetas geeft een teken met zijn hand. ‘Wie goud pakt of iets anders wat niet eetbaar is, wordt gefusilleerd voor diefstal van eigendom van het Reich. Begrepen? Verstanden?’ ‘Jawohl!’ schreeuwen we ongelijk en individueel, maar met goede wil. ‘Also looos! Aan het werk!’

De grendels knarsen, de wagons worden geopend. Een golf frisse lucht dringt naar binnen en slaat de mensen als mijngas tegemoet. Dicht op elkaar geperst, geplet door een enorme hoeveelheid bagage, koffers, koffertjes, rugzakken, bundels van alle soorten en maten (ze hebben namelijk alles meegenomen wat hun vroegere leven vormde, en waarmee ze hun aanstaande leven moeten aanvangen), zitten ze in vreselijke krapte; ze vallen flauw van de hitte, stikken en laten anderen stikken. Nu verdringen ze zich bij de open deuren, hijgend als vissen op het zand.

Het kamprecht

‘Let op: uitstappen met je spullen. Alles meenemen. Alle klamotten bij elkaar zetten bij de wagon. Jassen afgeven. Het is zomer. Naar links marcheren. Begrepen?’

‘Meneer, wat gaat er met ons gebeuren?’ Ze springen al op het grind, onrustig, onthutst.

‘Waar komen jullie vandaan?’

‘Sosnowiec, Będzin. Meneer, wat gaat er gebeuren?’ Ze blijven de vragen stug herhalen, kijken vurig in de vermoeide ogen van de ander.

‘Weet ik niet, ik versta geen Pools.’

Dat is het kamprecht, dat de mensen die de dood tegemoetgaan tot op het allerlaatste moment worden misleid. Dat is de enige toelaatbare vorm van mededogen. Enorme hitte. De zon heeft het zenit bereikt, de brandende hemel zindert, de lucht golft, de wind die af en toe tussen ons door waait, is schroeiende, vloeibare lucht. Onze lippen zijn al gebarsten, je proeft de zoute smaak van bloed in je mond. Van het lange liggen in de zon is het lichaam zwak en weerbarstig geworden.

Drinken, o, drinken.

Uit de wagon stroomt een kleurrijke, bezakte golf die lijkt op een verdwaasde, blinde rivier op zoek naar een nieuwe bedding. Maar voor ze bijkomen, getroffen door de frisse lucht en de geur van groen, worden de pakjes al uit hun handen gerukt, jassen uitgetrokken, de handtasjes van vrouwen afgepakt, parasols afgenomen.

‘Meneer, meneer, maar dat is tegen de zon, ik kan niet...’

Verboten,’ wordt er luid tussen de tanden gesist. Achter onze ruggen staat een SS’er, kalm, beheerst, zakelijk.

Meine Herrschaften, dames en heren, gooi jullie spullen niet overal neer. Een beetje goede wil.’ Hij zegt het vriendelijk, maar het dunne riet buigt nerveus in zijn handen.

‘Ja, ja meneer,’ antwoorden ze veelstemmig in het voorbijlopen, en ze lopen wat kwieker langs de wagons. Een vrouw bukt vlug om haar tasje op te rapen. Het riet zwiept; de vrouw gilt, struikelt en belandt onder de voeten van de menigte. Het kind dat achter haar aan rent piept: ‘Mamele’ – zo’n klein meisje met warrig haar...

Bonte biljetten

De hoop spullen, koffers, bundels, rugzakken, plaids, kleding en tasjes groeit; bij het neerkomen vallen ze open en strooien bonte biljetten in de kleuren van de regenboog, goud en horloges in het rond; voor de deuren van de wagons stapelen zich broden op, hopen zich potten met verschillende kleuren marmelade en jam op, de bergen hammen en worsten zwellen, suiker wordt over het grind gemorst.

De met mensen volgestouwde vrachtwagens rijden weg met een hels geronk, te midden van het gejammer en gegil van de vrouwen die om hun kinderen treuren en het verbijsterd zwijgen van plotseling eenzame mannen. Zij zijn naar rechts gegaan, de jongen en gezonden, zij gaan naar het lager. Ze zullen niet aan het gas ontkomen, maar eerst gaan ze werken.

Hierheen naar het gas, dames en heren

Auteur: Tadeusz Borowski

Vertaald door Charlotte Pothuizen en Karol Lesman met een voorwoord van Arnon Grunberg

Querido, €23,99

472 blz.

null Beeld -
Beeld -
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden