PlusKerstsprookje

Een volwassen sprookje: van Sombere Sores naar een Beter Normaal

Beeld Linda Stulic

Verhalen ontsnappen aan elke lockdown. Chef boeken Marjolijn de Cocq biedt troost met een volwassen sprookje voor benarde stedelingen.

Er was eens, in het Rijk der Lage Landen, een droevige stad, de droevigste aller steden – een stad zo allesverzengend droef dat ze haar naam, die eens wereldwijd zo zoet weerklonk, was vergeten. Smaak en geur waren er teloorgegaan, alsook klank en kleur; wat nog restte was een gribus, in grauwsluiers gehuld.

Er waren er die zeiden dat de stad, met haar gesuikerde lokroep, de misère over zichzelf had afgeroepen. Had ze zich niet laten overlopen door mieren, met hun verkenners, hun voedselverzamelaars, nestenbouwers, kinderverzorgsters, soldaten en koninginnetjes? Van heinde en verre waren ze aan komen zwermen, om zich aan haar te laven, haar uit te zuigen, de schamele resten latend aan de bewoners.

Er waren er ook die zeiden dat het malheur was begonnen bij de bewoners zelf, die de smaak van de stad niet meer hadden geproefd, de geur niet meer geroken, de klank niet meer gehoord en de kleur niet meer gezien. Want hadden zij – en hun regenten – de stad niet, verzadigd van al het heerlijks dat zij te bieden had, overgeleverd aan malafide marchandeurs?

Maar het was zo dat de droevige stad die de droevigste aller steden was geworden, werd bezocht door nog een plaag. Want geen dag ging voorbij of het ging over de Laaghartige Luchtbesmetting, die van verre was gesignaleerd maar toch nog onverhoeds over de huizen, pleinen en grachten van de stad was neergedaald. O wufte wanen van weleer, toen zij wier naam zo fier weerklonk zich onschendbaar achtte!

Zelfs opperregent Van Monter tot Grijns bestierf de lach ten langen leste op de lippen. Ook hij bleek bevattelijk voor de Dampen van Druil, al schermde zijn secretaris Schoenlepel nog zo met een snelstart van de Symptoomslurper van professor Zipfer. Mondkapjeplicht, deuren potdicht, zo klonk zijn oekaze, nog lang geen groen licht.

Dansende pixels

In het hartje van de droevige stad, niet ver van daar waar rode gordijnen gesloten bleven en glühweinpop-ups voor grauwwandelaars werden beboet, keek de dochter van de vioolbouwer door een kiertje naar buiten. Waar de overige stadsbewoners zich in de vroege maanden van Akelige Asem aan alcoholische apathie hadden overgegeven, was zij juist opgeveerd bij absentie van roze konijnen en ratelwieltjes.

Nu moet daarbij worden vermeld dat de dochter van de vioolbouwer niet gans verstoken was van klank en kleur. Haar vader kon bogen op een entourage van klank- en kleurmakers; bonte luitjes die in allerijl een ondergronds netwerk hadden uitgerold van dansende pixels op lichtgevende schermen. Al had de eerste verrukking daarover – Nieuw! Durf! Wonder! – de droefenis helaas nog verdiept. Want Nieuw! Durf! Wonder! was onecht en dus geenszins het Zoet van Ouds.

Er was een kortstondige periode geweest dat het stadsbestuur de teugels had laten vieren. De Sombere Sores leken weg te waaien, zo hadden de daartoe aangestelde Cijferaars van R berekend. Dus mocht er weer mondjesmaat worden gekraakt en gesmaakt. Kleuren schemerden door het grijs, ijle klanken stegen op. Een dunne barst tekende zich af in de Muur van Droefenis om de stad.

Maar dat was buiten háár gerekend, Aërosola IXX. Toen de koningin ter ore was gekomen dat zich in de droevige stad de eerste tekenen van Zoet weer hadden aangediend, was zij in razernij ontstoken. Zij had haar vazallen, maarschalk Schub en grootvizier Vleder, gesommeerd bij de krankjorume koopman van de Natte Markt een nieuwe dosis Zwartgallig Zwavel te bestellen om de droefheid in de stad te borgen.

Deze marktventer grossierde in een geconcentreerde cocktail, gemengd van al het giftigs uit de atmosfeer. Zijn handen waste hij daarbij in onschuld; het was immers de zelfzuchtige mens die de stoffen in omloop had gebracht. ‘Man-made, wappies,’ monkelde hij, ‘ge waart het zelve.’

Wonderlijke creaturen

Zo kon het gebeuren dat de dochter van de viool­bouwer die dag twee vreemde wezens door de stille steeg zag scharrelen, één dennenappelig geschubd, het ander groezelig gevleugeld. Juist toen, na de Tweede Toespraak uit het Torentje, een diepe doelloosheid ook haar gemoed in dagen van duisternis dreigde te overstemmen.

Maar het meisje vermande zich en besloot de wonderlijke creaturen te volgen. Zij prees zich nu gezegend met haar mondmasker, gezien de Geestdodende Gassen die zij uit hun spuitbussen stieten. Naderbij sloop zij, tot ze haar knokkels kon laten neerdalen op het schild van de geschubde en de hoefijzerneus van de vleer.

Die slaakten een ijselijke gil toen zij de boze ogen van de dochter van de vioolbouwer ontwaarden. Het was niet wat ze dacht dat ’t was, bezwoeren ze, het was geenszins hun idee geweest maar gemoeten hadden ze wel, want wens was bevel. Zó jaloers als koningin Aërosola was op het Zoet van de stad en zó woest over de verkwanseling daarvan door proleterige profiteurs.

Een opgeluchte giechel ontsnapte de dochter van de vioolbouwer. Een koningin met kinnesinne en twee slappe spuitbusstinkerds! In allerijl riep zij alle smaak- geur, kleur- en klankmakers uit de stad bijeen in het atelier van haar vader. Wegwapperen was niet afdoende geweest, betoogde ze, monitoren noch vermeende mokerslag. Maar zou het niet mogelijk zijn de Wanstaltige Walmen voor eens en altijd met vereende krachten weg te blazen? En daarmee na alle zuur het Ware Zoet te eren waarmee de stad haar naam had gevestigd?

En zo kwam het dat men vereend optrok tegen het Meerkoppig Monster dat de stad zo lang had gekweld. Hout en Koper liepen voorop in een fanfare die vreugde rondpompte en de bewoners joelend en juichend de straten op dreef. De naam van de stad klonk weer vrij en onverveerd en een Beter Normaal brak aan, met een toegangsverbod voor Nutte Wafelaars & Co. en meer milieuvriendelijke mierenbestrijding.

Zelfs brak de dag aan dat de rode loper werd uitgerold voor koningin Aërosola, nu alom aangeprezen als Groot Visionair. Van de koopman van de Natte Markt werd niets meer vernomen – de mare ging dat hij zijn handen had stuk geschrobd en door de Druistige Droesem zijn verstand was verloren.

De dochter van de vioolbouwer, tenslotte, koesterde zich bij het haardvuur en neuriede zachtjes mee met de tedere tonen die haar vader ontlokte aan zijn violone. En ze leefden nog lang en op goed geluk.

Geïnspireerd op Haroun and the Sea of Stories van Salman Rushdie

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden