PlusBoekrecensie

Een vermakelijke toevoeging aan het oeuvre van Maarten 't Hart

Op de toon waarop een iets minder gevoelig mens over een ­intercontinentale nachtvlucht, gevolgd door een dagenlange trektocht over de toppen van de Andes, zou spreken, zo spreekt orgelstemmer Gabriël Pottjewijd over een enkeltje Loppersum-Zuid-Holland. 

Voor de hoofdpersoon heeft een enkeltje Loppersum-Zuid-Holland de impact van een wereldreis.Beeld Getty Images/EyeEm

Hij benoemt in zijn verbijsterde relaas de treinmodellen (Blauwe Engel, Hondekop, Muizeneus), de overstaptijden, en de afstand tussen de perrons. Nauwelijks bekomen van de avonturen rondom de meervoudige overstap, verwondert hij zich over de troosteloosheid van de gebouwen, de lokale gebruiken en de manier van praten van de inheemse bevolking.

Het moge duidelijk zijn: Gabriël Pottjewijd is een flink eind uit zijn comfortzone. De geboren en getogen Groninger werkt het liefst in Noord-Duitsland, maar moet bij hoge uitzondering een Schnitgerorgel stemmen in een ‘morsige, ernstig vervuilde uithoek van Holland.’ Een klus die hij, liefst zonder afleiding vanuit de omgeving, in een paar dagen hoopt af te ronden.

Braziliaanse weduwe

Het loopt allemaal anders. De orgelstemmer maakt in het naamloze havenstadje kennis met een kleurrijke reeks mafketels, die hem wantrouwend bekijken. Al gauw wordt Pottjewijd achtervolgd en bedreigd. En dan zijn er nog de even betoverende als humeurige Braziliaanse weduwe, en haar raadselachtige dochter, die zich al snel aan hem hechten, hem goddelijke soepen en verbrande tosti’s voorschotelen.

Met andere woorden: Maarten ’t Hart (1944) heeft met De nachtstemmer een onvervalste dorpsklucht geschreven, inclusief bijfiguren met idiote namen: agent Kippenek, rechercheur Mooiweer, kastelein Joop Boetekees. De verzen declamerende winkelbediende in de ijzerzaak van Smitje de Smit heet – uiteraard – IJzerhard Paalvast.

Vrouwelijk schoon

Qua vette kluchtigheid doet ’t Harts negentiende roman hier en daar denken aan het werk van Herman Brusselmans, qua ouderwetse dorpsavonturen meer aan dat van Marten Toonder en Hergé. Maar in de eerste plaats zien we in De nachtstemmer toch vooral de sporen van ’t Harts eerdere werk en van zijn stellige uitspraken in interviews en tv-programma’s.

Pottjewijd deelt veel eigenschappen en obsessies met zijn schepper: de hang naar rust en afzondering, de afkeer van groepsgedrag en gemeenschapsrituelen. De hartstochtelijke liefde voor, en brede kennis van klassieke muziek en literatuur. Het overtuigde afvallen van het gereformeerde geloof uit zijn jeugd, de felle kritiek op Bijbelse en andere religieuze onzin, maar het ongeneeslijke zwak voor de betere psalmen en verhalen uit het heilige boek. En, natuurlijk, de weerloosheid tegen vrouwelijk schoon – verliefdheden die alle verlangens naar rust en eenzaamheid verpletteren.

Pottjewijds avonturen worden afgewisseld met uiteenzettingen over het orgelstemmen, en met tegen het christendom gerichte betogen, al dan niet vermomd als interviews of dialogen met plaatselijke trouwe gelovigen. Pottjewijds avonturen worden zelden echt spannend of mysterieus.

Hoofdpijndossiers

De uiteenzettingen over de werking van het kerkorgel, en de beroepsmatige problemen van de stemmer, zijn onnodig specifiek. Alsof je iemand op een feestje uit beleefdheid naar zijn werk vraagt, waarna hij zijn beroepsmatige hoofdpijndossiers tot in de kleinste details voor je uitspelt. De godsdienstkritiek, hoewel raak en komisch, is niet per se vernieuwend. ’t Harts zinnen zijn helder maar ook wat stijf, en zijn woordkeuze is een curieuze mengeling van ­archaïsmen (‘altoos’, ‘derhalve’, ‘deerlijk’, ’wat had ik misdreven?’) en populaire uitdrukkingen (‘so what?’, ‘not done’, ’jummie’, ‘tijd dus voor een powernap’).

Het wonderlijke is: dat maakt allemaal niks uit. De nachtstemmer biedt een aanstekelijke combinatie van luchtigheid en chagrijn, van vrolijkheid, gekanker en geklaag. Ondanks de verschillende mysteries, de uitgebreide cast verdachte dorpelingen en de goed uitgewerkte achtergrond van zowel de hoofdpersoon als van het havenstadje, maakt de roman een losse, spontane, bijna geïmproviseerde indruk.

Lange, kletserige passages zijn schijnbaar onbewerkt blijven staan. In plaats van krukkige uitdrukkingen weg te halen laat ’t Hart zijn hoofdpersoon er sardonisch commentaar op geven. Veel hoofdstukken worden abrupt afgekapt, midden in een scène – die gewoon weer wordt opgepakt in een nieuw hoofdstuk. Alsof ’t Hart zich bij de compositie vooral heeft laten leiden door zijn eigen schrijfplezier, en geen trek had in uitgebreid schrappen of herschrijven.

Hij vertrouwt op de welwillendheid van de ­lezer, en op zijn eigen vermogen om de lezer ­geboeid te houden met zijn hoogst eigen, sterk herkenbare stijl, thema’s en inzichten. Dat vertrouwen is terecht: De nachtstemmer is geen overweldigende roman, geen hoofdwerk, maar die pretentie straalt het boek ook nergens uit. Het is een vermakelijke toevoeging aan een even veelzijdig als eenzelvig oeuvre.

Fictie Maarten ’T Hart De nachtstemmer De Arbeiderspers, €21,99 320 blz.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden