Wegduiken en opduiken uit een zwembad wijzen op reiniging als motief, maar is onvoldoende om de lezer mee te slepen.

Plus Boekrecensie

Een oude geschiedenis van Jonathan ­Littell: een stomvervelend boek

Wegduiken en opduiken uit een zwembad wijzen op reiniging als motief, maar is onvoldoende om de lezer mee te slepen. Beeld Getty Images/Cultura RF

Een oude geschiedenis is een stomvervelend boek. Althans, dat vind ik. U, lezer, zal er misschien van genieten. Of het prijzen. Of denken dat de recensent er helemaal niets van heeft begrepen. 

Dat laatste zou best kunnen kloppen. Onbegrip is vaak een gebrek aan inlevingsvermogen. En dat was er precies aan de hand tijdens het ­lezen van
Een oude geschiedenis

Schrijver van
Een oude geschiedenis is de Amerikaan Jonathan Littell die vooral in het Frans schrijft. Juist, hij die in 2006 Les Bienveillantes schreef, in 2008 als De welwillenden in het Nederlands vertaald.

Dat is een even verschrikkelijke als fantastische, bijna duizend pagina’s dikke roman in de ik-vorm die gaat over SS-officier Maximilien Aue tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat Littell het perspectief van de dader koos, werd hem niet in dank afgenomen.

Maar goed, Littell sleepte me als lezer toen wel mee in het verhaal. En hij slaagde erin me, als Aue in Kiev getuige is van de slachtpartij op de Joodse bevolking in het ravijn Babi Jar, met de tranen in de ogen het boek even opzij te laten leggen.

Dat gebeurde nu ook, maar dan uit ergernis (nogmaals, ik ben ook maar een mens, ik kan het niet goed begrepen hebben). In De welwillenden kreeg hij me mee, omdat hij een ouderwetse roman schreef, met een ontwikkeling in tijd en personage.

Krankzinnigheid

Dat alles is afwezig in Een oude geschiedenis. In De welwillenden, we ontkomen er niet aan dat boek te vergelijken met zijn nieuwe, was sprake van een stroom van krankzinnigheid. De krankzinnigheid van de oorlog, en de krankzinnigheid van Aue, die gedurende de oorlog steeds verder ontspoort.

Van krankzinnigheid is in Een oude geschiedenis zeker ook sprake. Maar het is geen ouderwetse roman waar Littell ons op vergast, want een plot, een ontwikkeling in tijd en personage ontbreekt volledig.

Er is in de zeven hoofdstukken steeds eenzelfde stramien merkbaar. Een personage duikt op uit een zwembad, kleedt zich aan, opent een deur, rent door een gang met deuren, betreedt een ruimte, komt weer in de gang, betreedt weer een ruimte en duikt aan het einde van het hoofdstuk weer in een zwembad, om in het volgende hoofdstuk weer uit het water op te duiken. Het reinigingsmotief is me duidelijk.

Overal waar het naamloze personage verschijnt, een huis, een hotelkamer, een grote ruimte waar orgieën worden gehouden, een open ruimte waar sprake is van oorlogshandelingen, is hij niet thuis en is sprake van vervreemding. De vervreemding van het leven, de telkens repeterende geschiedenis? Dan ontvlucht hij alles door maar weer in het zwembad te duiken.

En in elk hoofdstuk lezen we over dezelfde karakters en attributen: een jongetje, een knuffelbeest, een vrouw die klaagt over spannings­pieken in de elektrische installatie, appels, goudgeel linnen met een dessin van groen gras, muziek van Mozart, een kat, een schilderij van Da Vinci (De dame met de hermelijn).

Geen ingang te vinden

Het zijn monotone hoofdstukken met variaties op dezelfde soort gebeurtenissen. Waar in De welwillenden, gek genoeg misschien, wel ruimte was voor identificatie (altijd oppassen!), is dat in Een oude geschiedenis bijna onmogelijk.

Een schrijver moet zijn publiek bereiken, vasthouden, vervoeren, beroeren. Dat lukt Littel in Een oude geschiedenis niet. Ook al beschrijft hij ook in deze roman over de massa-executie in Babi Jar (in het minst vervelende hoofdstuk 5), maar nu zonder iets bij de lezer teweeg te brengen. Misschien was dat zijn bedoeling. Misschien was het ook zijn bedoeling dat de lezer nergens ingang vindt in deze roman. Die bedoeling is mij dan ontgaan.

Je hebt de Noor Karl Ove Knausgård, die met zijn monotone beschrijvingen zijn leven op papier zette in de zes dikke delen van Mijn strijd. Hij kreeg door zijn stilistische gave daar toch de handen voor op elkaar (in ieder geval de mijne). Littell is stilistisch goed – hoewel geen Knausgård – maar hij krijgt de handen niet op elkaar met zijn geschrijf.

Waar heeft dat dan mee te maken? Wil het op afstand houden van de lezer, wat Littell in dit geval met mij doet, ook automatisch zeggen dat hij een slecht boek schreef?

Dat geloof ik niet, maar door die afstand worden de gruwelijke en naargeestige elementen in het verhaal niet verontrustend. Littell weet iets als ‘het kwaad’(een oude geschiedenis?) niet te vangen in zijn verhaal. Daardoor laat hij de ­lezer, deze in dit geval, nogal onverschillig ­achter. Dat kan de bedoeling toch niet zijn van literatuur?

Fictie

Jonathan ­Littell
Een Oude ­Geschiedenis
Uit het Frans vertaald door Ilse Barendregt, De Arbeiderspers, €23,99.
352 blz.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden