PlusBoekrecensie

Duizend manen: grimmig houvast zoeken in richtingloosheid

Beeld -

‘Jonge vogels sprankelden omhoog uit de ondergroei.’ Veel zinnen uit Duizend manen, de nieuwe roman van de Ierse auteur Sebastian Barry, wíl je terwijl je ze leest, nooit vergeten, zoals die met de omhoog sprankelende vogels. Stralender en dynamischer kan het niet worden gezegd. Het zijn woorden van het indiaanse meisje Winona Cole, de hoofdpersoon van deze volle roman.

Plaats van handeling: Amerika, Tennessee, tweede helft negentiende eeuw, de burgeroorlog is afgelopen, een groot deel van de oorspronkelijk Indiaanse bevolking afgeslacht of verjaagd, de slavernij afgeschaft, maar de zwarten hebben nog steeds geen leven en worden als oud vuil behandeld, overwinnaars en verliezers lopen door elkaar heen, chaos en geweld regeren, het is een samenleving die grimmig houvast zoekt in richtingloosheid, iedereen maar dan ook iedereen is getroebleerd.

Sebastian Barry schildert deze omstandigheden sterk, hij trekt je er meedogenloos in en je voelt je innig verbonden met Winona Cole die onweerstaanbaar is, krachtig en hulpeloos tegelijk, en binnen die paradox zeer authentiek.

Haar familie heeft de burgeroorlog niet overleefd en zij wordt geadopteerd door Thomas McNulty, die we kennen uit eerder werk van Barry, met Ierse roots, die samen met zijn vriend John Cole tegen alle klippen op een boerenbestaan probeert op te bouwen.

Nadat ze verkracht en mishandeld is, gaat ze op zoek naar gerechtigheid, dat niet alleen, ze zoekt naar een manier van leven. Allemaal voldoende materiaal voor een intense roman, maar het is vooral hoe ze zich als vertelster uit, in een taal die zó van een wat plechtige schoonheid is dat die zich nauwelijks laat omschrijven. Niet alleen het understatement wordt door haar opnieuw gedefinieerd, maar het is vooral de verfijning die vaak betoverend is, teer, ingetogen fel. Haar waarnemingen roept ze zeldzaam zorgvuldig op. Ook met haar taal geeft ze vorm aan wie ze is.

‘Ik stond zo dicht bij hem dat ik de hyacinten op zijn huid rook. Hij glimlachte tegen me met zijn glimlach zo breed als een schuur. Ik wist dat hij niet dacht dat ik een hond van een indiaan was, helemaal niet. Hij wist wat ik was. Hij wist wat wij waren. Echte zielen die gewoon wachtten op een ochtendgloren dat nooit kwam, of in elk geval een soortement ziel.’

Ja, zo’n ziel.

De vertaling van Jan Willem Reitsma is briljant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden