PlusAchtergrond

Doen alsof de camera bestaat, wat gaat daarbij verloren?

Als acteurs vroeger recht de camera inkeken, was dit vooral een teken van een slechte film. Tegenwoordig vestigen films juist bewust de aandacht op hun film-zijn. Maar gaat daarbij niet iets belangrijks verloren?

In Funny Games spoelt een van de twee belagers met een afstandsbediening de film een stukje terug. Het is een techniek van slimme cinema.

In Funny Games van Michael Haneke dringen twee jongens het vakantiehuis van een jong gezin binnen om de ­gezinsleden vervolgens een voor een te martelen. Wanneer de belagers overleggen over de aanpak en even niet opletten, pakt echtgenote Anna snel hun pistool af en schiet een van de twee neer. Dan gebeurt iets schokkends: de andere belager pakt een afstandsbediening van tafel, richt die naar de camera en spoelt de film terug.

Het kijken van een film betekent, zoals de Britse dichter Coleridge in 1817 al schreef over de dichtkunst, het tijdelijk opschorten van ons ongeloof. We zetten ons kritische denkvermogen (deels) uit, zodat we in staat zijn om te geloven in hetgeen we zien. We weten eigenlijk wel dat alles wat zich op het witte doek afspeelt geënsceneerd is, toch ­accepteren we de film tijdelijk – tenminste tot de aftiteling begint te rollen – als werkelijkheid.

Er werd altijd gedacht dat een film pas succesvol is als die erin slaagt het ongeloof van de kijker op te schorten. Worden we ons bewust van de kunstmatigheid van de film, dan vervalt de mogelijkheid hier nog plezier uit te ­halen en valt de film als een kaartenhuis in elkaar.

Technieken die de zogeheten vierde wand, de denkbeeldige muur tussen film en kijker, breken – zoals het terugspoelen van de film in Funny Games – waren dan ook lang uit den boze. Niet voor niets is de belangrijkste acteerregel het doen alsof de camera niet bestaat.

Het is pas in de laatste paar decennia dat bewust met dit soort regels wordt gebroken. In de jaren negentig stond in de Verenigde Staten een nieuwe generatie filmmakers op die juist op de kunstmatigheid van het medium wijst. Het resultaat is ironische metacinema die de kijker niet alleen bewust maakt van de gemaaktheid van de film in kwestie, maar ook van het feit dat de filmmakers zelf ook wel weten dat de kijker de film doorheeft. Cinema met een vette knipoog, dus.

Quentin Tarantino

Dit soort films wordt ook wel ‘smart cinema,’ – slimme cinema – genoemd, omdat de film er steeds op wijst zelf heel goed te beseffen dat de film ‘slechts’ een film is. Dit soort films is dus ‘slimmer’ dan de films die naïef meedoen aan het opschorten van het ongeloof.

Quentin Tarantino is misschien wel de bekendste van deze groep slimme filmmakers. Zijn oeuvre druipt van de zelfbewuste technieken. Zo staan zijn films bol van de verwijzingen naar andere films en verschijnt hij vaak zelf op het doek, meestal in een lullig bijrolletje. De verhaallijnen zijn vaak in stukjes geknipt, die in een schijnbaar willekeurige volgorde weer aan elkaar zijn geplakt. Tarantino verstoort de chronologische vertelling op de eerste plaats niet voor spanning, zoals detectivefilms dat soms doen, maar om de film bloot te leggen als kunstgreep, de kijker aan zijn kijkerschap te herinneren en daarmee de opschorting van het ongeloof te bemoeilijken.

Wat in de jaren negentig begon als een baanbrekende vernieuwing heeft zich in rap tempo ontwikkeld tot de nieuwe standaard, zeker in Hollywood. Een groot deel van de hedendaagse producties is tot op een zekere hoogte ironisch.

Een greep uit recente films laat dat zien: in Bombshell richten de personages zich herhaaldelijk tot de camera om extra uitleg te geven — iets wat we ook zien in bijvoorbeeld The Big Short en al kennen uit de Netflixserie House of Cards. In de laatste scène van The Laundromat ontdoet actrice Meryl Streep zich in een green room van haar kostuum om de kijker persoonlijk toe te spreken. Daarbij onthult ze de set als set, iets wat we ook tegenkomen in Dolor y Gloria. En in Knives Out maken de personages grapjes over de teleurstellende aard van de achtervolgingsscènes, waarmee ze deze scènes meteen ontdoen van hun klungeligheid. De boodschap: we nemen onszelf niet zo serieus, en als jij, kijker, dat wel doet, heb je het verkeerd begrepen.

Telkens een stapje terug

Hoewel smart cinema bewijst dat we niet alleen plezier kunnen halen uit films die ons weten te overtuigen van hun echtheid, gaat er wel degelijk iets belangrijks verloren in dit soort zelfbewuste films. Ironische films zijn dan wel vermakelijk, ze staan alle vormen van inleving in de weg. Elk knipje in Tarantino’s verhaallijn zorgt ervoor dat we onze aandacht verplaatsen van de personages naar de film als film; dat wil zeggen: als iets wat gemaakt is. We zetten als kijker telkens een stapje terug, tot we ons niet meer deel voelen van wat zich op het scherm afspeelt, maar het van een veilige afstand bekijken.

Zo ondermijnt de ironische stijl de dramatiek van de ­gebeurtenissen en tilt de filmmaker zichzelf boven zijn personages uit. Het resultaat is een kijkervaring waarbij weinig op het spel staat, terwijl een belangrijke verdienste van cinema juist is dat kijkers zich kunnen inleven in de personages, die zich vaak in een heel andere situatie dan zijzelf bevinden.

Empathie verdwijnt grotendeels in ironische films. Maakt het nog uit wat er met de personages op het scherm gebeurt, als we er constant aan worden herinnerd dat het afgebeelde toch niet echt is? In ieder geval veel minder.

Dit is ook waarom de films van Tarantino zo enorm ­gewelddadig kunnen zijn, zonder dat dit bloedvergieten het kijkplezier in de weg staat. Het overdreven, bijna ­komische ­geweld is lekker om naar te kijken, maar we ­leven daardoor weinig mee met de personages die dit allemaal te verduren krijgen.

De vierde wand

Gek genoeg heeft het breken van de vierde wand dus niet zozeer het verminderen van de afstand tussen kijker en personage tot gevolg, maar wijst dit soort technieken juist op het verschil tussen beide.

Het lot van de familie in Funny Games ligt al vast. Dat ­weten we als kijker niet alleen omdat de belagers de film terugspoelen, maar ook omdat dit terugspoelen ons eraan herinnert dat hun toekomst al bepaald is: die staat immers in het script. Dat weten we natuurlijk al wel, maar daar hoeven we niet constant aan te worden herinnerd. Het zou pas echt baanbrekend zijn, als films ons weer in hun verhalen doen geloven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden