Dit zijn de winnaars van de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst 2020

In klein, coronaproof gezelschap reikte koning Willem-Alexander donderdag de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst uit. De jury van de prijs, die bestaat sinds 1871, verkoos dit jaar traditionele ambachtelijkheid boven experiment.

Janne Schipper (l), Dan Zhu (m), Charlott Weise (r) in het Koninklijk Paleis Amsterdam.  Beeld Willemieke Kars
Janne Schipper (l), Dan Zhu (m), Charlott Weise (r) in het Koninklijk Paleis Amsterdam.Beeld Willemieke Kars

‘Uit eindjes hout, lapjes stof en wat gekleurde modder toveren sommige schilders in hun eentje binnen enkele uren of dagen objecten tevoorschijn die in één klap honderdduizenden dollars per stuk waard blijken te zijn.’ Met deze typering in het eindrapport ageert de jury van de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst tegen de oververhitte kunstmarkt en haar meest behendige bespelers, die zich ‘een ­financieel-alchemistische positie laten aanleunen’. Van effectbejag en modieuze gekkigheid moet deze jury niks hebben. Zij wil serieuze schilderkunst zien: verbeelding in verf, waaraan de inspanning valt af te lezen.

De jury heeft het tij mee. Er is de laatste jaren veel van dit soort schilderkunst te zien in musea en galeries, en het is vaak verdomd goed. Ook bij de jongere generatie zijn kwasten weer in. Aan deze editie van de Koninklijke Prijs deden 406 kunstenaars jonger dan 35 mee – het hoogste aantal van de afgelopen twintig jaar.

Suggestief spel

Het werk van de vijftien genomineerden – onder wie drie winnaars van 9000 euro elk – is op­vallend traditioneel. Dit keer geen magneten, geboetseerde kunsthars, beschilderde leren jassen of met een slijptol bewerkte triplex platen. Experimenten om het medium op te rekken hebben plaatsgemaakt voor verdieping binnen de vertrouwde rechthoek van spieraam of paneel.

En dan is veel van het getoonde ook nog figuratief. Dat varieert van Aafke Ytsma’s realistische blik door de achterruit van een auto tot een krachtig expressionistisch portret van een hiphopper door Iriée Zamblé. Bijzonder grappig zijn Leonie Schneiders grote tableaus waarin een familie ruziet of verzameld zit aan de eet­tafel, met enkel worst op hun bord.

Uitblinker binnen het figuratieve aanbod is Matthijs Jeuring. In Cat at Night en Mid-City Garden toont hij het skelet van een kat en een stadstuin met bloemen als proppen wc-papier. Hij legt een verdoezelende sluier van nachtlicht over het suggestieve spel met pigment waardoor je je afvraagt of je wel echt ziet wat je ziet. Jeuring zou niet hebben misstaan als winnaar.

Ritmisch

Dat geldt ook voor Philipp Gufler. Zijn Quilt #31 (Lorenza Böttner) is vijf schilderijen in één. De voorstelling van vormeloze figuren in een line dance heeft afritsbare zijpanelen en op het middenstuk is een doekje bevestigd waarop een hoofd en drie hooggehakte pumps staan afgebeeld. Het is een deels realistisch, deels symbolisch portret van Lorenza Böttner (1959-1994), die op jonge leeftijd beide armen verloor maar zich later ontpopte als transgender kunstenaar voor wie schilderen performance was.

Het tweede werk dat Gufler laat zien is een zeefdruk op spiegel en sluit aan bij een andere trend onder de genomineerden van dit jaar: de herwaardering van abstractie. Of beter gezegd: semi-abstractie. Want in de vlakken en vormen zit altijd nog een herkenbaar aanknopingspunt. Bij de schimmelachtige tweeluikjes van Wouter Venema zijn het stukjes hoogtelijn of coördinaten uit de atlassen die hij verpulpte tot grondstof. En in het lijnenspel van Lotte Wieringa zijn mensen te herkennen die door een extreme filter lijken te zijn gehaald.

Bij winnaar Charlott Weise is het verhalende aspect explicieter. Zij liet zich inspireren door De Passie volgens GH van Clarice Lispector, een roman waarin een vrouw het lichaamssap van een dode kakkerlak drinkt en langzaam één wordt met het insect. De vrouwen in Weises grote doeken zijn de ene keer getekend met losse, bijna uit elkaar vallende lijnen en de andere keer als half bedekte vlakken, waardoor begin en einde oplossen.

Tegenover het narratieve van Weise zet Dan Zhu het meditatieve. Winnaar nummer twee werkt vanuit de Chinese schildertraditie. De compositie is opgebouwd uit rijen, zodat het oog op meerdere punten de voorstelling kan binnenkomen en niet, zoals in de westerse ­traditie, naar één focuspunt wordt getrokken. Six Entrances bestaat uit vier keer zes afbeeldingen van een toegangspoort met zes bogen. Er is veel te ontdekken in deze gedetailleerde vermenigvuldigingsmachine, maar het effect is ook een beetje braaf en decoratief. Beter is Zhu’s net zo ritmische schilderij van een bloem waar haar strijd met de verf in doorklinkt.

Met de derde winnaar is de jury over haar eigen voorkeuren heengestapt. Janne Schipper noemt haar werken geen schilderijen maar ­banieren, die ze vult met een middeleeuws kleurenpalet. Op een staat de aan Dante Alighieri ontleende tekst ‘il ben dell intelletto’, die refereert aan intellectueel onderscheidingsver­mogen, het kenmerk van het ware individu. Dat schuurt met de aard van banieren, waar zich doorgaans kuddevolk achter schaart. En het zegt iets over de maker, een verklaard non-schilder die zich toch aanmeldde voor de oudste schilderprijs van Nederland.

Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst, t/m 31 ­december in Paleis op de Dam. Maximaal 25 bezoekers per tijdslot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden