PlusAchtergrond

Dit ambitieuze boek brengt Nederlandse schilderkunst uit de 19e eeuw in beeld

Het rijk geïllustreerde boek Spiegel van de werkelijkheid van Rijksmuseumconservator Jenny Reynaerts is een moedige poging de Nederlandse negentiende-eeuwse kunst weer eens integraal in kaart te brengen.

De gezusters van Willem Bastiaan Tholen (1893).Beeld Collectie Museum Gouda

Een onbetreden woud, noemde G.H. Marius (1854-1919) de negentiende-eeuwse schilderkunst in haar boek De Hollandsche schilderkunst in de negentiende eeuw, dat meer dan honderd jaar geleden werd gepubliceerd.

Marius, schilder en vanaf omstreeks 1890 criticus, heeft baanbrekend werk verricht om dit onbetreden woud toegankelijk te maken voor een groter publiek. Decennia was haar studie een standaardwerk voor studenten van de negentiende-eeuwse schilderkunst. Het boek van ‘juffrouw Marius’ bleef toonaangevend, ook nadat Jan Knoef (1896-1948) in zijn sterfjaar een vergelijkbare poging had gedaan het onderwerp in kaart te brengen.

Tandengeknars

Daarna verschoof de aandacht van kunst­historici naar deelstudies. De tijd dat ­iemand nog een hele eeuw in een allesomvattende studie probeerde te vatten, leek lang vervlogen. Jenny Reynaerts, conservator negentiende-eeuwse kunst van het Rijksmuseum, heeft nu opnieuw een kapmes gepakt om in Spiegel van de werkelijkheid de jungle te verkennen. Haar rijk geïllustreerde boek is een moedige poging de Nederlandse negentiende-eeuwse kunst weer eens integraal in kaart te brengen.

Maar wat is dat eigenlijk, Nederlandse negentiende-eeuwse schilderkunst? In de tijd van ­Marius was dat nog een tamelijk behapbaar begrip, een opeenvolging van stromingen die uiteindelijk leidde tot wat destijds beschouwd werd als het hoogtepunt, de Haagse School. Nu we met enige afstand naar de negentiende eeuw kijken, blijkt de situatie wat anders te liggen.

Die nuance ligt vooral in het begrip ‘Nederlands’. Dat was een begrip dat in de loop van de negentiende eeuw steeds belangrijker werd, juist omdat het in het begin van de eeuw niet zo vanzelfsprekend was. Nederland werd immers vanaf 1794 overheerst door Frankrijk en vormde van 1815 tot 1830 samen met België en Luxemburg één koninkrijk.

Er werd vroeger met een mengeling van trots en tandengeknars gekeken naar schilders wier wieg in Nederland had gestaan, maar die als schilders grote successen in het buitenland hadden genoten. Ary Scheffer werd in Parijs een superster, in Londen genoot Laurens Alma-­Tadema enkele decennia later een vergelijkbare status.

Veel Nederlandse kunstenaars werkten in het buitenland en zij kwamen er in de Nederlandse geschiedschrijving lange tijd relatief bekaaid vanaf, met uitzondering van Vincent van Gogh natuurlijk. Omgekeerd bleef de belangstelling voor Nederlandse negentiende-eeuwse kunstenaars vanuit het buitenland nogal beperkt. Nu bespreekt Reynaerts de Nederlandse kunst­wereld nadrukkelijk als onderdeel van de internationale ontwikkelingen, waarbij Parijs toonaangevend was.

Rusteloze reiziger

In grote lijnen staan in Spiegel van de werkelijkheid geen schokkend nieuwe inzichten. Er is veel aandacht voor grote namen als Barend Cornelis Koekkoek, Jozef Israëls, de gebroeders Maris, George Hendrik Breitner, Jan Toorop en natuurlijk Vincent van Gogh.

Toch worden er ook een paar verrassende kunstenaars naar voren gehaald. Omstreeks 1835 werd een portret gemaakt van vier broers door hun privéleraar François-André Josserant. Dat is een schilder van wie bijna niemand ooit heeft gehoord, afkomstig uit Saint-Tropez en in de jaren twintig en dertig werkzaam in Nederland, waarschijnlijk in Amsterdam. Twee van de vier broers zijn aan het schilderen, waardoor het paneel ook een inkijkje geeft in de werkwijze van amateurschilders.

Pierre Louis Dubourcq is misschien ook geen schilder die bij iedereen even bekend is. Zijn werk werd tijdens zijn leven zeer gewaardeerd, maar later raakte hij een beetje vergeten, misschien omdat zijn werk zo weinig Hollands was. Dubourcq was een rusteloze reiziger, die door België, Frankrijk, Zwitserland, Italië en Groot-Brittannië trok, op zoek naar motieven in de ongerepte natuur.

Het boek van Reynaerts zal misschien ook aanleiding geven om de schilderkunst in de negentiende eeuw weer eens in zijn geheel onder de loep te leggen. Hoe goed of slecht is die kunst eigenlijk? Is het een verzameling van een paar goede tot zeer goede kunstenaars – Marius noemde Van Gogh al ‘een meteoor’ – afgewisseld met veel middelmatigs? Of is het algehele niveau heel constant?

Lacune

In dat laatste geval zou het een oude discussie kunnen oprakelen. Is de negentiende eeuw niet een beetje ondervertegenwoordigd in de Nederlandse musea? Zou de kwaliteit van deze kunstwerken een permanente presentatie kunnen rechtvaardigen?

Liefhebbers van de negentiende-eeuwse kunst kijken al meer dan dertig jaar met enige jaloezie naar Musée d’Orsay, dat in Parijs een lacune vulde tussen het Louvre en het Centre Pompidou. De kans lijkt verkeken dat zoiets ook in Amsterdam gebeurt. Door het boek van Jenny Reynaerts kun je echter fantaseren wat er te zien zou zijn, in zo’n Nederlands museum voor de negentiende eeuw.

Beeld Rijksmuseum
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden