Schrijvershotel

Die los-vastvrienden, ik heb ze niet eens geappt

Esther Verhoef. Beeld Ireen Wyers /Ambassade Hotel.
Esther Verhoef.Beeld Ireen Wyers /Ambassade Hotel.

‘We zijn met z’n allen meer naar binnen gekeerd,” zegt mijn schrijvende vriendin. Ze maakt er een beweging bij alsof ze luiken voor haar gezicht sluit. “Ieder op zijn eigen eilandje. Kopschuw geworden, huiverig voor overwaaiende bacillen uit medemensadem.”

Ik zit tegenover haar met een flinke bel chardonnay. De tweede. Hoe strenger de maatregelen, hoe hoger mijn drankrekening. Mijn vriendin is een risicogroeper, maar nu heeft ze haar tweede prik gehad en ik ben net herstellende van twee weken valreepcorona. Dus het kan weer. We hebben zelfs geknuffeld – de gezichten afgewend, want je weet maar nooit.

“Ik ben een kluizenaar geworden die opziet tegen menselijk contact,” gaat ze verder. “Iemand die opnieuw moet leren om gasten te ontvangen. Hoe snel is dat gegaan?”

Ik knik en neem een slok. En nog eentje. Vluchten deed ik steeds in mijn schrijfwerk, al vanaf mijn achtste dagelijks; verdwijnen achter de woorden en zinnen, opgaan in een wereld die je zelf creëert en die je dus wél begrijpt en kunt controleren.

“Ik heb sommige mensen al anderhalf jaar niet gezien,” zeg ik. “Je weet wel, vrienden met wie je naar de film gaat voor de discussie erna, of met wie je graag winkelt, of gaat lunchen in een hippe tent.”

Je durft op een gegeven moment ook niemand meer uit te nodigen, denk ik erachteraan, want de een drukt je bij binnenkomst aan de borst, briesend: “Je gelóóft die flauwekul toch niet!” en door de ander word je subiet kaltgestellt omdat je twee gasten wilt ontvangen, terwijl Jaap en Mark één adviseren.

Die los-vastvrienden, ik heb ze niet eens geappt. Wat moet je vragen? Iedereen gezond, lukt het nog een beetje daar? Ik mis ze, en ook weer niet. Ik ben het verleerd, denk ik, mensen. De luiken van mijn huis zijn gesloten en die van mijn hart ook een beetje.

Dit zou een ideale periode zijn voor schrijvers, lees ik steeds. Want die zaten toch altijd al thuis te typen. Voor hen verandert er niets. Maar voor mij veranderde alles. Schrijven doe ik in afzondering. Vier, vijf dagen zonder sociaal contact is normaal. Dus moet ik er af en toe op uit om te voorkomen dat ik murmelend onder een steen eindig. Húp, naar dat café, restaurant, de winkels, een festival, plekken waar je druppels sociale structuur kunt tappen als tegengif. En ‘verhaal kunt halen’, input voor je werk.

Maar alles is volgeboekt of doodgereguleerd en de mensen zijn knettergek geworden, om het hardst schreeuwend naar elkaar aan weerszijden van een ravijn waar ooit een veilig midden was.

Toenadering, ik hoop dat we het opnieuw kunnen leren. De huizen en de harten open; begrip, nuance en vertrouwen. Een nieuw, stevig fundament in dat midden, dat wens ik de lezer, de schrijver, de mens.

En tot die tijd is er chardonnay.

Wat is een schrijvershotel zonder schrijvers? Een pen zonder inkt? Gedurende zes maanden wordt wekelijks een auteur uitgenodigd om tijdens een verblijf in het Ambassade Hotel te beschrijven hoe het schrijverschap in deze tijd voor hem of haar is.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden